De gemeente gratie - pagina 49
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
OPLOSSING VAN ROOMSCHE ZIJDE.
45
natuur overschrijdt, maar zal alleen het uiterste van dat perk bereikt
zijn.
Dat medicijn den kranke geneest, gaat niet buiten het perk zijner natmu" uit, want juist op het uitdrijven van krankheid door medicijn, is zijn natuur aangelegd. Doch
geven yve nu
al
toe,
dat
we
staande in den staat
der verdorven natuur, het medicijn der reddende genade, niet alleen met opzicht tot zijn
onmiddeU ijken oorsprong, maar ook met het oog op
die
geknakte natuur, eensdeels ftw/ewnatuurhjk en anderdeels feot;ewnatuurlijk
mogen noemen,
hieruit
scheiding reeds
bij
en
volgt nog geenszins het recht, in
de schepping zelve te maken.
hier iets van voelden, hielden
maar
eerst
daarna zou gegeven
„oorspronkelijke heiligheid",
die
„bovennatuurlijk" gequalificeerd
zijn,
Adam
en het
als
schepsel dat hoven
tum omnis
niet in zijn schepping,
door Alexander van Hales het eerst als is.
Of
gelijk
Bonaventura het uitdrukte:
Juist
kind aanvaard wordt, dit zijn
Scotisten, die
scherp bezien, alleen die
is,
„dat het schepsel gewijd wordt tot een tempel Gods, tot
aangenomen, en
gelijke onder-
daarom dan ook steeds aan de onderscheiding
de „oorspronkelijke heiligheid" aan
vast, dat
om De
bij
alle
natuur uitgaat (hoc est supernaturale complemen-
creaturaej."
nu tegen dat denkbeeld van het „complementum"
(aanvulsel), dat
de kerkleer het donuni superaddüum (bijgevoegde gave),
in
kind wordt
zijn
een toevoegsel
is
in tegenstel-
met de pura naturalia (bloote natuur), geworden is, keert zich ons verzet. Acht de heer Bensdorp het ongeoorloofd, om uit het beeld van den „gouden teugel" te veel af te leiden, wat blijft is dan toch het duidelijk en onomwonden uitgesproken beweren, dat te onderscheiden valt tusschen hetgeen God, naar scheppingsordinantie, den mensch als natuur toebe-
ling
deelde,
en hetgeen Hij
hem bovendien schonk
natuurlijke of buitennatuurlijke toevoeging.
de
tot
uit
Hetgeen
genade door boven-
wij alleen
met opzicht
ingezonken en geschonden natuur belijden, wordt hier dus wel
terdege op de oorspronkelijke geschapen natuur zelve overgebracht. In de
schepping wordt, nadat het Thomisme het Scotisme terugdrong, en de „oorspronkelijke heiligheid" zijn
in
meer algemeen
als
een aan
Adam
terstond
bij
schepping gegeven goed werd gedacht, onderscheiden tusschen hetgeen
Adam
geponeerd werd
en tusschen hetgeen God, perk van het natuurlijke, hem er door en uit genade aan toevoegde. Met het woord „genade" spelen w^e hier niet. We weten zeer wel,
boven
hoe van Roomsche lijke
als zijnde zijn natuur,
dit
zijde
erkend wordt, dat ook de ongeschonden natuur-
mensch zonder Gods hulpe
stadig ontvangen die genade
is
niet
voort kon, overmits
van Goddelijke hulp en steun
hier geen sprake.
Met de
is
hij
aangelegd.
op het ge-
Maar van
„oorspronkelijke heiligheid" die
met de „oorspronkelijke gerechtigheid" verbonden was, wordt bedoeld,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's