De gemeente gratie - pagina 187
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE VOLHEID DER TIJDEN.
Er
is
183
nog een andere, niet minder onbelangrijke opmerking, die we hier
aan toevoegen. Steeds openbaarde zich onder de beUjdende Christenheid
om
zekere neiging,
aan de waarachtige menschelijke natuur en het waar-
achtig menschelijk karakter van Jezus' optreden, Jezus' verschijning en
van
zelfs
wezen
zijn
ongeloof aan het
kort te doen. Die neiging sproot niet voort uit
te
der Vleeschwording, maar
feit
kwam
van Jezus' menschelijke natuur meester maakte,
zich
van eenzijdigen nadruk op het menschelijke
in
op, toen
om
de ketterij
door het leggen
den Christus, aan
zijn volle,
alle opgekomen ketterijen toch van Jezus' Godheid getornd. Het heette
ongerepte Godheid te kort te doen. Schier
hebben aan de
belijdenis
volle
dan eerst wel, dat men die Godheid volstandig beleed, maar bleek, dat er
bij
al
spoedig
Woord van „God" een minder waardig
dat zeggen met het
werd gedreven, want dat men óf bedoelde een inwerking Gods van bijzonder hoog karakter in den mensch Jezus, óf wel dat men het God-zijn spel
van den Christus zijn
in het
toekennen van een Goddelijk hoog karakter aan
menschelijke deugden en voortreffelijkheden
met het droef
gelijk vanzelf spreekt,
liet
opgaan. Beide malen,
gevolg, dat het „mijn
Heere en mijn
God", dat heel Christus' kerk den apostel Thomas steeds nazong, vernietigd werd.
—
den Christus op
gelijke
spoor
zou
bijster.
Zij
Ook
in
wijze
is
het rafelen aan het
verstonden het mensch-zijn van den Christus
men daarom op
feitelijk
dogma van begonnen. Die „domme fijnen" waren het
onze eeuw
niet. Zelf
dat mensch-zijn van den Christus meerder nadruk
komen van het menschelijke meer en beter doen verstaan. Edoch, na eens door dien sirenenzang de lieden achter zich te hebben
leggen, in
en
juist
zou dat meer tot
den Christus ook
zijn
gekregen, openbaarde
zijn
recht
Goddelijk karakter
men
al
spoedig
zijn
wezenlijken toeleg, door op alle
manier op de wezenlijk Goddelijke natuur van den Middelaar afdingen.
Eenmaal daarover heen,
is
men
te
gaan
toen al verder van de belijdenis
bij zich orthodox noemende predikers, is van de belijdenis van Jezus' Godlieid thans weinig anders overgebleven,
der waarheid afgedoold. Zelfs
dan dat Jezus Godsbewustzijn op het allerhoogste stond, en God zich in hem op het volkomenst heeft geopenbaard. Verreweg de meesten echter, hebben ook dit stadium reeds verre, verre achter zich, en het meest gewone onder de theologen niets
is
thans de voorstelling, dat
dan een mensch hebben
kind, o
ja,
en
te zien,
in zooverre als religieus
we
in Christus eigenlijk
vromer dan eenig ander menschengenie te eeren, maar die overigens
zelfs in zedelijken zin niet in alle verleiding tot
zonde getriomfeerd heeft.
Daartegenover nu hield de gemeente des levenden Gods steeds onverbelijdenis, dat wie aan de Godheid van Christus ook maar even raakt, de plant der Christelijke religie, voor zooveel het aan hem staat, bij den wortel afsnijdt. Alle rehgie vraagt om gemeenschap
anderlijk vast aan de
met God, en dan
alleen
kan de
Christelijke rehgie de
ware
zijn,
mdien ze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's