De gemeente gratie - pagina 294
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET ENTEN VAN DEN WILDEN BOOM.
290
een kindeke nog. Het leven
is
er wel,
maar het komt nog den akker der
lieve schepsel draagt het zaad des levens in
Komt nu
zaad schoot nog niet op.
echter
Het maar dat
niet uit. ziel,
zulk een kindeke te sterven,
ook zonder dat het hier op aarde tot eenige de minste ontwikkeling kwam,
dan gaat toch zulk een wicht ten eeuwigen leven in, en in zijn sterven voor altoos af aan het zondige leven dat het in zijn natuurlijke geboorte ontving, zijn heihgmaking wordt in zijn sterven opeens voleind, en
sterft het
in
het leven van zulk een kindeke ontplooit zich zuiver en onbesmet het
nieuwe leven, dat het ontving in de tweede geboorte. Bij zulk een kindeke is het onderscheid dus klaar en duidelijk. Het zielsleven, dat het uit zijn
komt
ontwikkeling en sterft weg,
natuurlijke geboorte
ontving,
maar het
dat het in de tweede geboorte ontving,
zielsleven
niet tot
komt
in het
eeuwige leven, zonder eenige vermenging, zuiver tot ontplooiing. Dit kan een ieder verstaan.
Maar ingewikkeld en moeilijk wordt het, zoodra zulk een kindeke niet maar opgroeit, knaap, jongeling en man wordt. Dan toch begint al spoedig ook zijn natuurlijk zielsleven met zijn zondigen aard en zijn versterft,
keerde neigingen zich te ontwikkelen, en naast die ontwikkeling van natuurlijk zielsleven loopt
van hij
zijn
in
zijn
dan de geheel daarvan verschillende ontplooiing man als David is dit klaar als de dag. Als
genadeleven. In een
zijn
ontzettende zonde valt, en Uria wegruimt,
om
zijn
schandelijk
stuk met Bathseba te bedekken, ziet ge de schrikkelijke uiting van natuurlijk leven; en
als
straks diezelfde David zich voor
God
in
zijn
zak en
asche nederwerpt, en zoo roerend smeekt: „Gena, gena, o God, hoor mijn
Psalm 51 een man aan het woord, die nu nog elk kind ziele voorzingt met tonen dieper dan vaak uit het eigen hart zouden zijn opgekomen. Die twee uitingen van een zoo verschillend en uiteenloopend leven mengen zich nu bij den vohvassene door elkander, en hoe ze ook strijden, ze zijn toch de uitingen van een zelfde gebed", dan
is in
van God de boete der
ik.
Gevolg waarvan dan
is,
dat een
man
als
Paulus in Rom. 7
tenissen uit zijn eigen zielservaringen komt, die nu nog
bij
tot beken-
het lezen ver-
warren, en sinds eeuwen tot het zeer onderscheiden gevoelen hebben geleid,
Rom. 7 als een nog onhekeerde spreekt, anderzijds dat hier een kind van God spreekt na zijn bekeering. Ongetwijfeld is alleen het laatste juist. Het is niet de onbekeerde die hier spreekt. Een onbekeerde kan niet zeggen: „'k Dank God door Jezus Christus mijnen Heere". Maar al staat dit vast, toch is het begrijpelijk, dat oppervlakkige lezing van Rom. 7 op het dwaalspoor leidde. Of wie vermag zich helder rekenschap van elke opeenvolging van gedachte te geven, waar de apostel zegt „Alzoo is dan de wet heilig, en het gebod is heihg, en rechtvaardig, en goed. Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden opdat zij zoude eenerzijds dat hij in
:
;
1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's