De gemeente gratie - pagina 471
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TEGEN DEN VLOEK.
467
eeuwen en in alle wereldstreken. Te beweren en staande te houden, dat deze gewone menschelijke ellende niet uit den vloek komt, en dat die vloek zich alleen zou uiten in hongersnood, pestilentiën, oorlog, en dergelijke,
is
alzoo rechtstreeks in strijd
Gods Woord.
we omtrent
geen
vervat
We in
is,
komen
niet
de duidelijke openbaring van
er ten overvloede, wel op lette, dat het-
„den vloek" in Gen. 3 lezen, rechtstreeks
God
die
men
waarbij
Iets
zelf
als
maar voegen aan het gezegde voorshands nog
hierop terug,
de tweede plaats
toe,
woorden
in
oordeel en straf over de menschheid brengt.
dat ook de ervaring des levens, met die door de
Schrift veroordeelde voorstelling in strijd
Of
is.
is
het vatbaar voor tegen-
spraak, dat geheel buiten ziekte en volksramp om, door duizenden en nog-
maals duizenden
velerlei ellende geleden,
uitsluitend ten gevolge
kommer doorworsteld
en
van de gemeene en gewone toestanden
en in de maatschappij? Van de maatschappij
is dit
in
wordt,
de natuur
vooral in onze dagen
door het luid geroep over de sociale nooden duidelijk genoeg aan den dag
gekomen. Maar ook van de natuur wezenlijk lijden als de Eskimo's
koude verkwijnen, en zich schier
meene ellende
als
het klaar als de dag. Of
is
is
het geen
eeuw aan eeuw onder de ontzettende niet bewegen kunnen? Is het geen ge-
weduwen en weezen
visschersdorpen gedurig het aantal
vermeerderen zien door wat rechtstreeks met het visschersbedrijf saam-
hangt? En als,
is
het offer zoo telkens en telkens door den oceaan gevraagd,
ook zonder storm, honderden hun graf in de golven vinden, enkel ten
gevolge van mist en nevel, niet het eenvoudig gevolg van de natuur der dingen,
ook zonder dat er
iets
afwijkends, of iets bijzonders tusschen-
beide treedt?
Zoo
blijkt derhalve,
gewone
als
bij
we deze gevolgen dat we er
biedt,
gestelde
dat het ééne en dezelfde vraag
lijdelijk
ondergaan
middelen zullen bestrijden.
met
En
1".
vraag:
God de
Waarom
dieren tot
zijn
Adam
bij
zijn,
dat 2".
ons ten dienst 's
men-
God den mensch,
bracht, en
ze doorzag,
hij
3".
uit,
blijft
en voelt
Adam
dat het onbekleed
zijn
den mensch
niet
dat de toestand na het Paradijs daarentegen een geheel andere
of
ook als
is.
de
dat de atmosfeer in het Paradijs
geworden, en dat koude, guurheid, wind, storm, hagel, sneeuw en
zin,
ter
dat zoolang de vloek
is
komen
de
wil dat
nu moet, wat
deze bekleed, en ik niet? geheel
van een wederhelft;
van dien aard moet geweest 4".
God
het Paradijs, van een omzien naar kleeding geen sprake
in
alleen het gemis
deerde;
Hem
door
alle
in dien zin
schen kleedij betreft, worden vastgesteld:
Zelfs toen
zoowel
zullen, of wel, dat Hij eischt en ge-
tegenin gaan, en ze
onderscheiding van het dier, onbekleed schiep; uitbleef,
blijft,
de buitengewone gevolgen van den vloek, of
zelfs zijn,
een
damp, neveT, mist en regen,
ons
om
der zonde wil over-
van Gods gerechtig oordeel, en in zeer ernstigen die in den vloek, die ons leven drukken zou, in zat.
als uitingen straf,
alle
ijs,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's