De gemeente gratie - pagina 128
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
ONDER ONS GEWOOND.
124
van de ontvangenis Iets waaruit
uit den Heiligen Geest tusschen beide ware getreden. dan evenzeer volgt, dat dit wonder geheel dezelfde uitwerking
zou hebben gehad, ook
ware
al
moeder persoonlijk
die
en dadelijke zonden verwikkeld geweest. Het
in veel erfelijke
niet uit de geestelijke of
is
zedelijke gesteldheid van de moeder van Jezus, maar uitsluitend uit de ontvangenis uit den Heiligen Geest dat het staan buiten de erfschuld en dus ook buiten de erfzonde in den Messias, althans instrumenteel, moet
We
verklaard worden.
Nog hooger genomen gemeenschap tusschen Christus en onze erfschuld afgesneden door zijn God-zijn. Omdat hij zelf God was, daarom kon hij met geen schuld of zonde in wezenlijke gemeenschap treden. En omdat hij dit niet kon, daarom is hij ontvangen uit den Heiligen Geest, en was elke andere ontvangenis bij den Christus ondenkbaar. toch,
was
zeggen
:
althans instrumenteel.
alle wezenlijke
De poging om zuiverder maagd Maria" zelve, 't
licht
„de
zij
op deze ontvangenis te laten vallen door
van de gemeenschap met de zonde dieper, dan de voorstelling alsof oorzaak van Jezus'
andere
zijde
na haar ontvangenis,
in, hetzij
uit te sluiten, gaat
Maria's
in
dan ook eenerzijds
hetrekkelijhe
onzoudigheid kon gelegen
maar
zijn,
volstrektelijk
heiligheid de blijkt
van de
haar doel te missen. Beseffende dat met een verschil in graad
hier niets te vorderen
heeft
viel,
men
getracht, gelijk
we
later
nog breeder
aantoonen, in Maria eene volstrekte heiligheid te stellen. Niet alsof
de ontvangenis van Maria op één had. Veeleer gaf
men
zij
en dat ook haar
niet
die va;i
men
den Christus gesteld
alzoo in haar ontstaan deel had aan de erfschuld,
Maar men nam
Christus.
heiligd was, ja ten
met
dat de ontvangenis van Maria uit den wil des
toe,
mans was geweest, dat heil
lijn
slotte,
volkomen kon
aan, dat
zij
zijn
buiten het zoenoffer van
reeds in haars moeders schoot ge-
dat deze heiliging van de
maagd Maria reeds
had plaats gegrepen vóór het leven in haar kwam. Niet allen geven ook dit laatste toe, en Thomas van Aquino achtte dit zelfs ondenkbaar, edoch ten slotte behield deze voorstelhng de overhand. toe,
dat de
fontein"
Ook
gaf
men nog wel
„fomes peccati", of wat onze belijdenis noemt „de onzalige
nog potentieel
er geen zonde uit
naar het absolute,
in
Maria aanwezig
opkwam maar ook hier om feitelijk het aanwezig ;
bleef,
edoch gebonden, zoodat
neigde de voorstelling almeer zijn
der „onzalige fontein" te
Doch hoe dit ook beredeneerd werd, het doel bleef, om elk met het zondige voor den Christus uit te sluiten, en voor zoover men dit in zijn moeder beoogde, was het juist gezien, dat men alsdan niet in het betrekkelijke rusten kon, maar steeds scherper en beslister tot het
loochenen. contact
absoluut-\\e\\\^Q,
van Maria moest voortschrijden. Elke gemeenschap
tus-
schen Maria en de zonde bleef daarbij een struikelblok, en eerst als die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's