In Jezus ontslapen - pagina 230
,,
218 te leven. Wie niet als een plant stoelen maar menscii leven wil, moet, voor zooveel die vormen aangaat. Da Costa zong liet zoo naar waarheid „ kind van zijn tijd " wezen. Zie het maar aan Paulus. Hij kopieert Jesaia niet. Hij tracht niet David na te bootsen. Hij spreekt niet de taal van een Mozes. Al wat hij schrijft is gegoten in de vormen, gedachten en uitdrukkingswijzen van de Joodsche Grieksche en Romeinsche wereld van zijn tijd. Hij schreef voor zijn tijdgenooten en daarom zóó dat zijn tijdgenooten hem konden verstaan. Maar dat meegaan met zijn tijd wordt een bedenkelijk kwaad zoo het neerkomt op een meê-afdrijven met de7i geest der eeuw en zoo die geest der eeuw zonder critiek aanvaard wordt. Of wordt ons niet in de Schrift telkens weer de plicht op het hart gebonden „ Beproeft de geesten d. i. de geesten die in de onderscheidene eeuwen opkomen, of ze uit God zijny Bevindt ge van ja volg dien geest dan in zijn machtig spoor. Maar indien niet^ weersta dan dien geest, en laat uw hart, uw huis uw geslacht er niet door aangestoken worden. Stel er dan den Geest die uit God is tegenover. Feil gaan alzoo beiden in de kerke Gods zoowel de man die om het verkeerde in den tijdgeest, hangen blijft in vormen, die niet meer van onzen tijd zijn, als die andere, die om met zijn tijd meê te doen, den geest die niet uit God is onvoorzichtiglijk binnenlaat.
ook wij weten in
,
als
,
,
,
:
,
,
,
,
,
,
Dit nu
ook van toepassing op den prijs dien we aan de Gods hebben toe te brengen. Toen Paulus uit zijn gevangenis naar de toen zoo invloedrijke kerk van Ephese schreef, kwam hij er in zijn proloog tot drie malen toe op terug, dat al het werk Gods aan zijn kerk, en aan de zielen in Christus' kerk, doelde op één wit, en dat dit doelwit daarin bestond, dat wij zouden zijn tot p7njs zijner is
heerlijkheid onzes
heerlijkheid.
Eerst in het zesde vers zeggende „ dat God ons verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, opdat wij zouden zijn tot prijs ,
zijner heerlijkheid ".
Daarna
in
het twaalfde vers,
tot een erfdeel geworden zijner heerlij kJieid ". ,
En dat
zijn
,
ons aanzeggende, dat ook wij opdat we zijn zouden tot prijs
ten derden male in het veertiende vers, er in roemende „het onderpand van den Heiligen Geest ontvangen
wij
hadden
De
tot yrijs
zijner heerlij kheid^\
van Gods heerlijkheid
is voor den apostel derhalve geen bijzaak, maar het hoofddoel waarop het alles uit moet loopen en waarop het al moet gericht zijn.
prijs
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's