In Jezus ontslapen - pagina 226
!
,
214
Stuk voor stuk, één voor één, moeten ze in den spiegel van hart fonkelen en liefde en lof naar onzen Vader in de
liet
hemelen terugstralen. Vergeet niet één van
Maar
zijn
weldaden
daar gaat de rouw en de berooving van ons we het weten, tegen in.
juist
zoo, eer
hart
De verzoeker van ons hart laat ons zelfs bij het graf niet en poogt zelfs bij onze heiligste smart onze ziele af te buigen van den lof des Heeren. Hij fluistert ons dan in, dat het al veel voor ons geloof is, zoo we niet morren; dat te berusten in Gods wil vroomheid te over is; en dat wie de hand op den mond legt, en zich met een gebroken hart onderwerpt aan het harde lot dat over hem o.
los,
kwam,
reeds met de allerheiligsten zich meten kan. toch dat is niet zoo. Ge berust, ge legt de hand op den mond, ge onderwerpt u, als ge staat tegenover een macht waartegen ge niets doen kondt en tegenover een majesteit, die om ontzag en eerbiedenis vraagt. Maar zoo mag een kind van God niet tegenover zijn Vader in de hemelen staan. Als we in wat nood of dood ook, al zij het nog zoo kort, het geloof aan Gods trouw en Vaderliefde opgeven is God voor ons weg. Dan is Hij onze God niet meer en is het geflonker van zijn weldaden achter een floers van nevelen voor ons schuil gegaan. De wereld verstaat dat niet. Van haar kan God zijn eere niet hebben. Zij kan zijn Vaderhart niet met wezenlijk verstand van zijn liefde toespreken. En nu ziet God uit naar zijn kind, of dat kind zijner liefde krachtig genoeg in het geloof staat, om zelfs in de pijnlijkste ure dankend en lovend tot Hem op te zien. En eerst als dat zoo zijn mag, en het geloof aldus heerlijk over den weemoed van het hart triomfeert, dat geen oogenblik die eeuwige trouw van onzen Vader in de hemelen verdacht wordt, dan is er gejuich onder de engelen Gods daarboven, en gaf een menschenhart op aarde een echo op hun lied des lofs voor den Troon.
En
,
,
,
Daarin sterken dan Gods kinderen elkaar onderling. En als de verzoeker dan telkens weer het oog wil aftrekken, om het hopeloos te doen staren op de donkere plek die het zoete leven wegbrak, dan komt de broeder den broeder ter hulpe om tegenover die verzoeking, de weldaden Gods weer voor ons oog te ,
,
plaatsen.
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's