De gemeente gratie - pagina 480
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
476
gij
BESTRAFFEN, SCHELDEN, TOORNEN.
Jordaan, dat door,
later
komen dan voor
natiën
dezelfde gedachte gaat ook
door de volkeren benauwd wordt. Die volken, die
Israël
als
En
achterwaarts keerdet?"
gij
het beeld van een bruisenden, ruischenden
in
stroom, die over Israël wordt uitgegoten, en dan profeteert Jesaja: „De natiën zullen wel ruischen, gelijk groote wateren ruischen, doch Hij zal
hen schelden, zoodat
verre wegvlieden;
zij
als het kaf der bergen," (Jesaja 17
ja,
zullen gejaagd worden,
zij
13).
:
Dat nu met dat schelden volstrekt niet enkel krachtsbetoon, maar toorn, 20, waar we lezen dat het afvallige Israël zien zal, hoe ,zijn kinderen in bezwijming zijn geoordeel en straf bedoeld wordt, blijkt uit Jesaja 51
en op de straten zullen liggen, gelijk een os in het net, omdat ze van de grimmigheid des Heeren, van de scheidingen huns Gods."
vallen,
vol zijn
evenzoo uit „het schelden van het wild gedierte" (Ps. 68
Blijkt
God
:
stuit
in
menschverderving. Maar
zijn
:
31),
dat
het allerduidelijkst uit
blijkt
wat de hoogepriester bij Zacharias uitroept „De Heere schelde u, gij Satan" (hfdst. 3 2). Immers hier eerst komt het schelden tot zijn volle kracht. Het :
:
de toorn des Almachtigen, het
is
macht
toornt en brandt tegen de dit
„schelden" in al
Hij
de heiligheid des levenden Gods, die
uit
den afgrond. Van hier
graden uit tegen
zijn
woelt, en die zijn menschenkind,
Daarom
is
alle
macht
en met name
zijn
nu gaat
God op
volk wil verderven.
scheldt Hij het roofdier, Hij scheldt Satan, Hij scheldt de Heidenen,
scheldt zijn afvallig volk, en zoo ook scheldt
van zeeën en
rivieren,
die
zijn
volk,
en,
weerstaan zouden. De Schelfzee moet weg, Jordaan moet weg, rijken
uit
die tegen
om
in
zijn
om
zijn
God de natuurmachten volk,
zijn
heihge zaak
volk door te laten.
De
volk in Kanaan te laten binnengaan, en de
zijn
van Assyrie en Babyion en Egypte moeten teruggedrongen, opdat en zijn zaak niet langer door hen worde opgehouden.
zijn volk,
Met in
het
recht mogen we dus zeggen, dat de Heilige Schrift, zoowel Oude Testament als in het Nieuwe, van een bestraffen, schelden
volle
en toornen weet, dat van God, en zijnen Christus, tegen
den vloek
uitgaat, die uit
oordeel en straf
om
dien hoofde de
mensch
is
opgekomen. Die vloek
zelf is
alle vernieling
een gevolg van
der zonde wil. Maar zoo w^einig volgt hieruit, dat uit zich
lijdelijk
God en
aan die gevolgen van den vloek
onderwerpen
heeft, dat
die gevolgen
van den vloek, ze schelden en bestraffen, ze breken,
en weerstaan. Eerst tot helderheid
ondergaan
zijn Christus,
in die diepte opgevat,
komen,
of
God
wil,
dat wij
Gods
te
veeleer zelven toornen tegen stuiten,
kan het zoo ernstige vraagstuk zijn
uitwendige straffen
lijdelijk
Gods bedoelen, ja, zijn eisch aan ons menschelijk geslacht is, dat wij, als kinderen Gods en als verlosten in Christus Jezus, al dit booze in de natuurmachten schelden zullen zullen,
of wel, dat het
wil,
zooals God het scheldt, en bestraffen zullen zooals Jezus het bestrafte. En dan kan het antwoord geen oogenblik twijfelachtig zijn. Wie ten deze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's