De gemeente gratie - pagina 641
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE AANRAKING VAN SFEER EN SFEER.
637
op hetzelfde oogenblik dat de dolk in zijn hart drong, ook de wederbarende genade Gods datzelfde hart binnentoog? Neem nu aan, dat Calvijn hier het uiterst denkbare aannam, en opzettelijk
ook
al
God nog
dat
geloofde,
lijkheid
woord spande om onedele
zijn
er blijkt dan toch uit, dat Calvijn aan de moge-
geestdrift te blusschen,
iemand begenadigde,
in het stervensuur
om
ontbrak voor den aanschouwer de mogelijkheid
de teekenen en
gevolgen van die begenadiging waar te nemen. En in dit opzicht nu voegt het ons Gods Almacht, met Calvijn, ook op geestelijk gebied van alle band der beklemming of beperking
meerden, tegen
daad Gods dat
vrij te
houden. Juist hierin staan
andere kerken over, dat
wij,
in
zichzelf
Gerefor-
aan geen enkel middel, aan geen enkelen
en aan -geen enkele omstandigheid gebonden
om
wij.
hoezeer de middellijke
óns gestelden regel aannemende, nochtans steeds erkennen,
God de Heere
leeftijd, blijft
als
alle
is,
en dat Hij machtig
door zijnen Heiligen Geest een zondaar die dood was, op elk
Hem
oogenblik dat het
belieft,
ten eeuwigen leven te verwekken. Voor
ons daarom de regel der ons aan de middelen bindende ordinantie, maar voor God in
zijn
majesteit geen andere regel dan zijn eigen vrijmachtig
welbehagen, en geen ander perk dan dat van
zijn
Almachtigheid,
d.
i.
geen perk.
Evengoed dus
als
we
in de wieg rekenen met de zaliging der jong weg-
stervende kinderkens, evenzoo moet ook op het sterfbed met de mogelijkheid worden gerekend, dat het
God
believen kan tot zelfs nog in den
doodsnik een zondaar ten eeuwigen leven te bezielen. Verder mogen we hier niet gaan. Zekerheid dienaangaande hebben we niet. Bij niet één die
op jaren van onderscheid wegsterft, zonder
mogen
wij
uitspreken, dat
zijn
God hem nog wel
Heiland beleden te hebben, gezaligd zal hebben.
Maar
om
het de vraag gesteld wordt, of Gods Almacht te kort zou schieten te doen, dan moet even beslist beleden worden, dat Gods Almachtigheid als
nimmer
te kort
schiet,
want dat
aan den mensch gesteld wordt,
er nooit in de Schrift eenige conditie
om
zich de voorafgaande
wedergeboorte waardig of geschikt te
daad voor de
maken. De mogelijkheid die we
in
den aanvang stelden, van een terstond naar de eeuwigheid afroepen, zoodra de wedergeboorte was ingetreden, moet alzoo als stellig voorkomend bij de wieg, en
als m,ogeUjk
op het sterfbed gelden.
Dit nu zoo zijnde, kunnen
we
het derhalve ook indenken, dat het Gode
nu exceptie is, tot algemeenen regel te stellen. Ware dit geschied, zoo zou ieder mensch die door den Heiligen Geest werd wedergeboren, op hetzelfde oogenbhk uit dit leven zijn weggenomen geworden. Hij zou geen deel meer in dit leven hebben gehad. Dientengevolge zou er op aarde ook geen kring van geloovigen zijn opgetreden. Er zou beliefd had, hetgeen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's