De gemeente gratie - pagina 367
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE RAAD GODS.
363
XI.VIII. De Raad Gods.
Gedenkt der vorige dingen van ouden tijden af: dat Ik ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik die van den beginne aan verkondig het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn die zeg Mijn
God
;
:
;
raad zal bestaan, en Ik zal
mijn welbehagen doen.
al
Jesaja 46
Een
geloovigen gemeenlijk niet.
zienigheid vormt daartoe
9,
10.
wezen der Voorzienigheid
klaar en onderscheidend inzicht in het
men onder de
vindt
:
De
belijdenis dier Voor-
een te klein deel van hun godsdienstige over-
leggingen en besprekingen, en waar, gelijk ons een vorig maal bleek, ook
de predikatie slechts zelden diep op dit stuk ingaat, laat het zich verklaren, dat de meeste ten opzichte van dit leerstuk
met een algemeene
belijdenis
vrede nemen, en zich geen rekenschap geven van de gewichtige vraagstukken,
er
die
door beheerscht worden. Teneinde niet misverstaan te
worden, zal het daarom noodig pelen.
En dan
hier althans enkele lijnen uit te stip-
zijn,
vreemd zoo we de opmerking laten voorafder Goddelijke Voorzienigheid, eigenlijk meer van
klinke het niet te
gaan, dat de belijdenis
heidenschen dan van Schriftuurlijken oorsprong
In de Heihge Schrift
is.
wordt nergens van de „Voorzienigheid", met dien naam, gesproken, en wat men,
om
deze schade te vergoeden, uit Gen. 22
schier in geen
geen voorzetsels voor de werkwoorden, begrip, dat in het oorspronkelijke
dan ook alleen:
:
14 heeft aangehaald, sneed
enkel opzicht hout. Vooreerst toch kent het Hebreeuwsch
zien.
niet
doorzien
is
uit dien
hoofde een
kon uitgedrukt worden. Er staat
In de tweede plaats
is
hier juist geen sprake
van
een gebeurtenis in het gewone leven, maar van een wonderbare actie in de particuliere genade. Heel het voorval strekt toch, te
om Abrahams
beproeven, en dit te doen in symbolisch verband met Golgotha.
geloof
En
in
de derde plaats grijpt hier een voorziening plaats, volstrekt niet in dien rijken
zin,
waarin onze Heidelberger de Voorzienigheid verklaart
alomtegenwoordige en almachtige kracht Gods, waardoor Hij
alle
als „de
dingen
onderhoudt en bestiert," maar als het voorzien in een bepaald geval
van nood. Daaruit echter, dat de Heilige Schrift het begrip van Voorzienigheid niet
bezigt,
volgt nog in
het minst
niet,
dat vdj ons deswege van het
gebruik van dit begrip volstrekt te onthouden hebben. Ging dat door, dan
zouden
we ook
niet
van Gods Drieëenheid, ook niet van Sacrament, en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's