In Jezus ontslapen - pagina 221
.ABKAHAM WEET VAN ONS NIET EN ISRAËL KENT ONS NIEt".
205
Valt UU moeilijk aan te nemen, dat gelijke vragen niet ook dagen van Jezus en de apostelen zouden zijn gerezen, en noclatans, dat in geen der brieven ons een openbaring desaangaande gegeven wordt, zelfs niet in het boek der Openbaringen van Joliannes dan mag hieruit afgeleid dat de Heere niet wil dat we ons te veel in deze mijmeringen en overpeinzingen verliezen zullen. Al wat ons dus overblijft, is uit den aard der zaak onze gevolgtrekkingen af te leiden. En dan wordt zeer zeker het kennisdragen van wat ons op aarde wedervaart, voor onze in Jezus ontslapenen in liooge mate onwaarschijnlijk. Ook na het sterven blijven onze ontslapenen eindige wezens, schepselen met beperkten gezichteinder. Yan alwetendheid is bij hen geen sprake. En zelfs onze Heiland zou geen alwetende kenuisse van ons hebben, zoo hij niet de Goddelijke natuur deelachtig was. Ook in onze Catechismus maakt het antwoord op vraag 47 scherpelijk deze zelfde onderscheiding. _ Naar zijne menschheid is hij niet meer op aarde, maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en geest wijkt hij nimmer van ons". Dat laatste nu komt aan onze ontslapenen in Jezus niet toe, en mag dus op hen 7iiet worden toegepast. En overmits nu de kennisse van wat er met ons geschiedt en in ons omgaat, toch zulk een alwetende kennisse vereischen zou is hier een grens gesteld, die we niet mogen verllauwen. Er komt nog iets anders bij. Al missen onze ontslapenen tot op Jezus wederkomst nog de volle heerlijkheid, toch is de zaligheid terstond voor hen ingegaan. Deuk slechts aan 't „ Heden zult gij met mij in het Paradijs zijn." Zou het hiermede nu te rijmen zijn dat onze afgestorvenen kennis droegen van ons lijden en van onze zonde f Als ze voortdurend onze angsten meê doorworstelilen en zich het hart ineen voelden krimpen bij onzen val in zonde, zou er dan, bij de zoo veel fijnere en intiemere liefde van hun hart, gelukzaligheid voor hen denkbaar zijn? Bedenk toch, dat de zwarte plek in onze ziel niet enkel uitkomt in onze grovere zonden, maar dagelijks in heel ons zondig leven werkt en alzoo bij hun fijner besef van heiligheid een gestadige bron van deernis en van ergernis voor hen zijn zou. in de blijkt
,
,
,
,
,
,
Moet op dien grond ernstig betwijfeld worden of onze ontslapenen kennis dragen van wat na hun dood met ons en in ons ,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's