De gemeente gratie - pagina 453
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
449
INSTINCTIEVE HANDELING.
het dier geweest, af
maar
leiden,
te
om
volkomen beeld van den mensch Gods besluit het doel gesteld van het Ko-
eerst hieruit het
eerst
is in
der hemelen, met de uitverkoren menschheid als middelpunt, en
ninkrijk
met het oog op
die verkoren
Doch
dit
is
zoo,
menschheid
is
het dier,
is
de plant,
zijn
de
meer geschapen.
delfstoffen en is zooveel
dan hebben
wij
als
menschen
hieruit ook leering te
trekken, en ons door die dierenwereld te laten onderwijzen. Niet alsof de
dieren hooger stonden,
omdat we kelijkt,
en als zoodanig onze leermeesters waren, maar
deze dierenwereld allerlei gedachten Gods vinden verwer-
in
richtsnoer ook voor ons leven
die
Aldus moet het dan ook
zijn.
verklaard, dat de Heilige Schrift ons zoo telkens en telkens op die dieren-
wereld
wijst,
ons tot beschaming. „De os kent
zijn bezitter,
en de ezel de
kribbe zijns heeren, maar Israël verstaat niet." Dit nu geldt ook bijzon-
van dat wondere dierken, waarop
derlijk
we
ons vorig artikel reeds de
in
aandacht vestigden, de mier. In het algemeen
is
het hoogst opmerkelijk,
dat juist in de zeer kleine dieren zoo rijke openbaring
en almachtigheid. De mier, de
bij,
ligt
van Gods bestel
de rups, de zwaluw enz.
zijn in
dat
merkwaardiger dan het rund of de leeuw of de adelaar. Dienovereenkomstig zegt dan ook de Schrift ons: „Ga tot de mier, zie
opzicht
veel
hare wegen en word wijs; dewelke geen overste,
haar brood bereidt
hebbende,
den oogst. En nader
in
zijn
den zomer hare
in
kelijke
opmerking,
dat
die
wijs,
spijze."
dieren
ambtman noch heerscher
den zomer, hare
Spreuken 30
onsterk volk, doch dezelve reiden
in
spijs
vergadert van
24 en 25: „De mieren zijn een met wijsheid wel voorzien, en be:
Dit laatste tot
zelfs
onder de uitdruk-
de kleinste dieren behooren, en
met wijsheid voorzien zijn. De aangehaalde uitspraak toch wordt ingeleid met de opmerking: „Deze dieren zijn de kleinste der aarde, en nochtans zijn ze wijs, en met wijsheid wel voorzien." Nu wezen we een vorig maal reeds ter loops op wat men de zuivelbereiding der mier genoemd heeft en waaromtrent we thans willen mededeelen wat Sir John Lubbock er van zegt in zijn bekend werk: Ants, wasps and hees, d. i, „mieren, wespen en bijen." In Sir John Lubbock's studeerkamer, waar schrijver dezes het voorrecht had met de onderzoenochtans
in
zoo hooge mate
kingen van dezen geleerde, door eigen aanschouwing, kennis vindt
men
te
maken,
geheele kasten vol met laden, en in elke lade een mierennest
waarvan de bewegingen stipt worden nagegaan. Sir John Lubbock is dus niet iemand die afging op losse indrukken, maar die allerlei interessante mededeelingen doet van wat hij zag, en vond, zoo bij zich als bij andere onderzoekers. Aangaande die zuivelbereiding der mieren, onder
glas,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's