De gemeente gratie - pagina 550
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET VERZEKERINGSWEZEN.
546
doen kunnen, dan huilen met de wolven. Integendeel,
al
zulk geschipper op
Er moeten rechte paden voor onzen voet getrokken worden. Die rechte paden moeten het Goddelijke spoor volgen. En elk onzer moet, bij alle geschil van dien aard, ten slotte tot zulk een conclusie komen, dat hij zonder aarzeling of weifeling, met vasten tred kan voortgaan. Komen we in eenige zaak tot de conclusie, dat zulk een nieuw verschijnsel slecht, dat het zonde voor God is, dan mogen we er op geenerlei wijs part noch deel aan hebben; dan moet de predikatie en de catechisatie er ernstig tegen waarschuwen; en dan voegt het ons broeders of zusters zedelijk gebied verfoeien we.
die
het daarentegen de slotsom van ons onderzoek,
Is
naam des Heeren. dat we vrij voor God
er zich door verlokken lieten^ te bestraffen in den
uitgaan, zoo
we
aan de verzekering deel nemen,
ja,
dat in tal van voor-
komende gevallen zulk deelnemen aan de verzekering een plicht is ons Gods wege opgelegd, dan moeten we ook den moed hebben hiervoor uit te komen, het niet ter sluiks maar voor aller oog doen, en de broeders of zusters die er nog verkeerd in staan, niet als school in hun verzet een hoogere vroomheid, ontzien, maar hun met ernst en teederheid de zaak uitleggen. Niet hi.j moet heel en gij half vroom zijn. De volle kroon der vroomheid moet ons allen sieren. Niet hij moet nauw van consciëntie zijn, en gij de deur van uw consciëntie op een kier hebben staan, maar aller moet streng en scherp aangetrokken zijn; en als er slapheid moeten we over en weer elkanders consciëntie terdege opscherpen. We weigeren volstrektelijk de positie in te nemen, alsof een gewoon, een ordinair Christen, een vrome van het algemeene soort, desnoods wel aan consciëntie
insluipt,
maar alsof iemand die heel vroom wil zijn, er toch liever af moest blijven. Dat leidt tot een hooger en lager zedenleer, die nergens in Gods Woord steun vindt. Gods gebod alleen stelt den de verzekering
meê kon
doen,
regel des levens, en dat gebod geldt voor allen. Bovendien dit zich stijven in
zijn
als
met een hoog-vrome gestalte, dit boek willen staan, heeft maar al te dikwijls
eigen vroomheid, dit omloopen
extra-ordinair
vroom
te
den zeer ongeestelijken bijsmaak van zelfverhoovaardiging, en van een roepen:
„Ik ben heiliger dan
gij,
ga van mij
uit."
moeten we
En naardien God
zijn
den drang der liefde het elkander telkens op het hart drukken, dat we toch van zulk jagen
genade alleen aan den nederige
geeft,
naar in het oog loopende overvroomheid ons
Toch gevoelen we zeer
w^el,
in
stiptelijk zullen
dat het Verzekeringswezen in
onthouden.
zijn
opkomen
veel eenvoudige kinderen Gods tegen de borst moest stuiten; en wie
het lezen van wat als
we
daar zooeven over verdoolde vroomheid schreven,
overtuigd Assurantieman,
ook altoos gezegd",
—
bij
die
bij
zichzelven dacht:
„Zoo heb
ik
het zelf
steke thans de hand in den boezem, en be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's