De gemeente gratie - pagina 333
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
329
ZELFREINIGING.
om
zoolang als dit moet, einden,
maar
is dit
de werking van de kiem op den wortel te
doel bereikt, dan wordt kortweg heel de stam
takken afgehouwen, en moet een geheel nieuwe plant
uit
vol-
met
zijn
de vernieuwde
levenskiem en op den herstelden wortel opschieten. Dienovereenkomstig
we dan
belijden
ook, dat
we
leven slechts een klein beginsel van het
in dit
kunnen doen uitkomen, en dat God, als we sterven, heel die onzuivere verschijning van ons leven te niet doet, en ons in het eeuwige leven een nieuwe gestalte schenkt. Maar al weten we dus vooruit, dat al wat we nu in onzen ouden levensvorm uitwerken, eens te niet gaat, toch moet reeds nu zorg gedragen, dat het wilde hout zooveel het kan besnoeid worde, en dat de nieuwe levenssappen zoo hoog mogelijk in de wilde takken opklimmen; en dit besnoeien nu, en reinigen van insecten, en doorlaten van het edele levenssap, is onze zelfreiniging. Het is dus heel iets anders dan onze heiliging, die God in ons volbrengt, want die werkt op den wortel, en die wortel gaat niet teloor in den dood, die blijft, en gaat over in de eeuwigheid. Dat is alzoo een duurzaam goed. Maar deze zelfreiniging is hetgeen aan de takken en aan den stam gedaan wordt, of wil men ter veredeling van ons karakter en onze levensuitingen; en dit edele in ons leven
stukwerk, en ondergaat
blijft
sterven,
als
we van
zijn
vernieuwing eerst in
algeheele
ons
het lichaam des doods worden vrijgemaakt, aan het
zondige leven finaal afsterven, en wel hetzelfde wezen behouden, maar voor dit
wezen een nieuwe,
heerlijker existentie verkrijgen in de eeuwigheid.
Laat nu het edel maken van de levenskiem in de wedergeboorte, en de heiliging, die God in den wortel van uw leven steeds meer tot
innerlijke
uw
stand brengt, rusten, en trek nu
aandacht saam op de zelfreiniging
van de takken en van den stam, en dan springt het nog met heel andere factoren uit
tak
de levenskiem is
opstijgt.
te
in het oog, dat ge hier
rekenen hebt, dan met het levensap dat
Immers de
groei en de
wasdom van stam en
ook afhankelijk van de lucht, van den wind, van den regen, van
den zonneschijn, van schadelijke insecten en van uitwendig geweld dat door dier of mensch wordt aangedaan; ge kunt kortweg zeggen, van de o m(/eüm^ waarin de boom geplant is. Wat nu voor dien boom de omgeving is, is voor u de wereld
om u
heen, die wereld nu niet als beginsel van het
booze genomen, maar die wereld in haar feitelijken toestand. Immers ge
werdt na
maar ge in
uw
wedergeboorte, niet
bleeft,
uit
deze zichtbare wereld weggenomen,
met het eeuwige leven
in u, geplaatst in
een omgeving, die dat eeuwige leven nog
derft.
Uw
een wereld en
zelfreiniging
dus plaats grijpen te midden van een wereld, die niet homogeen
uw
innerlijk
gaan,
is
dit
heilig bestaan. Bij
anders; maar
zij,
kinderkens die die
uit
is
moet met
de wieg naar het graf
den volwassen ouderdom bereiken, en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's