De gemeente gratie - pagina 15
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET OP TE LOSSEN VRAAGSTUK.
11
Uit de Formulieren van eenigheid der Gereformeerde kerken
komen
hier
aanmerking de navolgende uitspraken:
in
Li Art. 14 der Belijdenis: „In
1".
wegen goddeloos, verkeerd
alle zijne
en verdorven geworden zijnde, heeft de mensch de uitnemende gaven, die
van God ontvangen had, verloren, en heeft met anders overgehouden
hij
dan
kleine overblijfselen derzelve.
In Art. 15:
2".
Leerregels.
door den Doop niet gansche-
zelfs (de erfzonde)
noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit
opwellend water uitspringt
altijd als 3.
ook
„Zij is
niete gedaan,
te
lijk
Hoofdst.
3,
§
4,
gelijk uit
4:
een onzalige fontein."
„Dat er na den val
eenig licht der nature nog overgebleven
is,
waardoor
hij
in
den mensch
behoudt eenige
kennisse van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen
hetgeen
eerlijk
deugd en
en oneerlijk
uiterlijke
natuur zoo weinig tot
Hem
en ook betoont eenige betrachting tot de
is,
tucht." Zoo echter „dat de
mensch door
tot
bekeeren kan, dat
hij
der
dit licht
de zaligmakende kennisse van God komen, en
zich
ook in natuurlijke en burgerlijke zaken
dit
Hcht niet recht gebruikt." Catech.
4".
Vr.
„Kunnen degenen
114:
God bekeerd zijn deze maar ook de allerhebben maar een klein beginsel die
tot
geboden volkomenlijk houden? Antwoord: Neen heiligsten, zoolang als
zij
in dit leven zijn,
zij,
dezer gehoorzaamheid."
En
Leerregels. Hoofdstuk
5".
V
§ 4—8:
„En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware geloovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat zij van het vleesch zoude kunnen overwonnen worden, zoo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzoo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hunne eigene schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, volgen.
en van de begeerlijkheden des vleesches verleid worden en die
Daarom moeten
zij
gestadiglijk
verzoeking geleid worden, hetwelk zoo
waken en zij
bidden, dat
niet doen, zoo
zij
kunnen
niet in zij
niet
van het vleesch, de wereld en den satan tot zware en ook gruwezonden weggerukt worden, maar worden ook inderdaad, door Gods
alleen lijke
rechtvaardige toelating, tot dezelve somwijlen weggerukt; gelijk de droevige vallen van David, Petrus en andere heiligen, die ons in de Schriftuur be-
schreven
zijn,
bewijzen.
„Met zoodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den Heiligen Geest, verbreken voor eenen tijd de oefeninge des geloofs,
somwijlen voor eenen
verwonden zwaarlijk hun tijd
door ernstige boetvaardigheid op den schijn
Godes opnieuw
„Want God,
die rijk
consciëntie, en verliezen
het gevoel der genade, totdat hun, wanneer
weg wederkeeren,
zij
het vaderlijk aan-
verschijnt. is
in barmhartigheid,
neemt, naar het onveranderlijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's