De gemeente gratie - pagina 67
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
63
TEMPERING VAN DE ZONDE.
lende kracht den wagen naar beneden zal doen vliegen, tot de w^agen alle stuur verliest en
in
den afgrond
met ketting om het wiel wagen langzaam naar beneden
slaat,
v^egslaat,
en deswege een ijzeren sleuf
zoodat de gang vertraagd wordt, en de
glijdt, zoo ook doet God het in zijn gemeene weet hoe het rad des zondigen levens, door niets anders dan door de spil van het zondig ik in den mensch beheerscht, steeds sneller wentelen zal, en in die steeds sneller wenteling heel den mensch verderven en in den afgrond moet doen terecht komen, en nu remt God dat levensrad door er de sleuf van zijn gemeene gratie om heen te slaan, en die
Hij
gratie.
vast te zetten
met de
geven we dus
toe,
van
ijzeren keten
zijn
Goddelijken wil. In zooverre
dat er ook in de gemeene gratie een bovennatuurlijke,
onmiddellijke daad Gods
is,
een ingrijpen in den loop van het rad des
zondigen levens, een handelen buiten het ik des menschen om, het doen
werken van schen, maar
Maar
zijn
al is dit
werking
als
Goddelijken wil, niet alleen niet door den wil des men-
zelfs tegen zijn wil in.
onbetwistbaar, wat den eersten aanstoot betreft,
is
haar
zoodanig in de gemeene gratie niet bovennatuurlijk. Zelfs in
het beeld van het genoemde wiel
is
dat duidelijk.
De voerman op de zijn hand, maar
bergen houdt de ijzeren keten van den wielschoen niet in haakt die aan den wagen zelven vast, en het l)elet sneller te
draaien.
geschiedt door
gratie
En
in
zoo ook
is
is
de wagen
zelf,
die het rad
het hier. Alle werking der gemeene
de natuur des menschen aanwezige krachten.
Oppervlakkig beschouwd schijnt
dit
anders.
Immers
als
God
in
den een
de booze krachten verder laat doorglippen dan in den ander, dan maakt dat op ons den indruk, alsof
God op den
één, als
we
zoo zeggen mogen,
Doch dit is schijn. Een schijn den mensch ons altoos voorstellen als
sterker pressie uitoefende dan op den ander. alleen daaruit ontstaande,
dat wij
werkende zonder en buiten Goddelijke kracht. Doorziet men daarentegen helder en klaar, dat alle in den mensch werkende krachten, onverschillig dan wel of ze ten kwade werken, van oogenblik tot oogenGod gedragen en in stand gehouden worden, en terstond verzouden zijn, als God ook maar één oogenblik ophield ze te onder-
of ze ten goede,
blik
door
nietigd
steunen en te doen werken, dan wordt het duidelijk, dat de werking geheel binnen de sfeer van het creatuurlijke, natuurlijke en zondige leven blijft,
indien
God de Heere
in
den een deze krachten sterker,
in
den
ander zwakker laat doorwerken.
De waarheid
hiervan gevoelt
men
het klaarst, als
men
let
op het ver-
waaronder God deze kracht laat werken, ook' daar waar van zonde als zoodanig geen sprake is. Stel er zijn twee menschen met dichterlijken aanleg. Neem Bilderdijk en Da Costa. Nu heeft noch in den schil
van
gevoel,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's