De gemeente gratie - pagina 391
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
VOORZIENIGHEID EN SCHEPPING.
komen. Toch
lette
men ook
387
op de stelhge uitspraak der Schrift,
hierbij
dat wij allen in der vaderen lendenen besloten waren; dat ook ons menschelijk geslacht
dus niet bestaat
een bijeenvoeging van afzonderlijk
uit
ontstane wezens, maar organisch samenhangt, zoodat de ééne mensch door
den ander gegenereerd en
de andere geboren wordt; en dat
uit
men
alzoo
geheel verkeerd gaat, door dit Creatianisme in zoo krassen en scherpen
op te vatten, alsof de ééne menseh onafhankelijk van den anderen
zin
ontstond.
Intusschen moet toegestemd, dat de Gereformeerde Dogmatiek
er zich toe bepaald heeft,
om
deze waarheden onverzoend naast elkander
te
plaatsen: eenerzijds de belijdenis,
of
moeder kwam, maar
belijdenis,
dat onze ziel niet van onzen vader
de scheppende hand Gods; en anderzijds de
uit
Adam
dat wij reeds in
maar evenzoo naar ons
waren, niet alleen naar de kiem des
want dat wij, in zijn lendenen in zijnde, in hem gezondigd hebben, en deswege onze schuld dragen om datgene wat we, in hem in zijnde, tegen God gerebelleerd hebben. Zoo genomen nu, staan deze beide waarheden onverzoend naast lichaams,
geestelijk wezen,
elkander.
De
ééne schijnt de andere uit te sluiten, en de Gereformeerde
theologie
zal
er op bedacht
hebben
te
klaarheid te brengen. Dit te beproeven
wezen,
ligt
om
punt
dit
weg. Hiervoor zou een geheel zelfstandige breede studie noodig hier niet
is in
houdt genoeg, zoo maar reeds in zijn
Adam
Ons
te lasschen.
blijkt,
is
dat
nadere
tot
intusschen thans niet op onzen zijn,
die
het voor het doel, dat ons thans bezig
we ook wat
onze eigen personen betreft,
gerekend waren, en dat wij alzoo niet
bij
de Schepping
hijgekomen, maar in deze Schepping van meet af thuis hooren.
lil.
Gebonden en toch
En de Heere
vrij.
zeide tot den satan
awe hand;
alleen aan
hem
:
Zie, al
strek
wat
uwe hand
hij
heeft
niet uit.
zij
in
En
de satan ging uit van het aangezichte des Heeren.
Job
1
:12.
Tweeërlei staat dan nu vast. En wel in de eerste plaats, dat we, door weer krachtig den band aan te trekken, die de Voorzienigheid aan het Besluit bindt, voor ons geloofsbesef de vastheid van orde en gang in het bestel en bestuur der Voorzienigheid Gods moeten doen terugkeeren, en zulks ten einde terug te dringen de averechtsche voorstelling, alsof de
Voorzienigheid oen soort
Deus ex machina ware,
die ons op ons levenspad
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's