De gemeente gratie - pagina 199
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE GEMEENE GRATIE IN HET GENADELEVEN.
Moet
wereld, die van geen hemel boven zich meer afweet.
gegaan, en het
is
195
nu tegen
dit
het onze roeping de juiste verhouding tusschen natuur
en genade, tusschen de kerk en de wereld, tusschen theologie en wetenschap, tusschen wedergeboorte en opvoeding, tusschen den ouden
mensch
en den nieuwen mensch weer voor het besef onzer eeuw te herstellen,
dan baat geen formule meer, en is in geen vergelijk meer heil te vinden, maar dan moet de werkelijkheid, de zich van alle zijden aan ons opdringende werkelijkheid der bestaande natuur, zoo in als buiten den mensch, dit nu juist kunt ge niet, tenzij ge bij u rekenschap geeft van het bestaan en het hoe
onder de oogen worden gezien; en elk dezer tegenstellingen
bestaan van de gemeene gratie.
XXTI. Voorbereidende genade.
En de zijt
woordde gelds
overste
kwam En
een Romein ?
gij
:
toe, hij
en zeide tot hem: Zeg
zeide
Ja.
:
En Paulus
zeide
:
mij,
overste ant-
Ik heb dit burgerrecht voor eene groote
verkregen.
burger geboren.
Komen we
En de
somme
Maar ik ben ook een Hand. 22 27, 28. :
thans op de beteekenis van de gemeene gratie voor het kind
van God, dan staan we aanstonds voor het vraagstuk van de gratia praed. van de voorkomende en voorbereidende genade.
veniens en praeparans, Geliefd
is
het
i.
spreken van „voorbereidende genade" in Gereformeerde
kringen niet; en dit
is begrijpelijk.
Veelal toch heeft
men met
deze „voor-
bereidende genade" zekere voorbereiding niet in de gemeene, maar in de particuHere genade bedoeld, en wel zulk een voorbereiding die
algemeen karakter zou dragen,
was men
booselijk
't zij
uit
't zij
een
den mensch zou opkomen. Zoo
op het Semipelagiaansche pad geraakt, en
bracht den term van „voorbereidende genade" in discrediet.
De
juist
dit
stand der
Het uitgangspunt hgt in den toestand des menschen na den val. Desaangaande nu is het de Gereformeerde behjdenis, dat wel 's menschen wezen door de zonde niet kon aangetast worden, maar dat zijn natuur zoo algeheellijk door de zonde verdorven quaestie
is,
dat
Deze een
is
hij
niet moeilijk in te zien.
tot
alle
voor
God geldend goed
ganschelijk
onbekwaam werd.
noodlottige uitwerking der zonde zou alzoo onvermijdelijk,
iegelijk, tot
bij
elk en
op eenmaal doorgaande verharding en verstokking gevoerd
hebben, indien niet de gemeene gratie tusschen beide ware getreden, de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's