In Jezus ontslapen - pagina 181
165
,DE DINGEN DIE NIET BEWEGELIJK ZTJn".
Adam orerechtiglieid heiligheid en wijsheid. bezat dit geestelijk goed niet, om te blijven die hij was en waar hij was. Tot nog veel hooger en heerlijker was hij geroepen. Jnist dat overgaan uit den paradijsstaat in den hemelschen staat was het mysterie van het werkverbond. Hij stond voor het gebod, en door volbrenging van dat gebod zou hij grijpen wat hij nog niet had: het eeuwige, het niet verandedat CTod zelf op de het blijvende leven. Het stempel rende dingen hier beneden gedrukt heeft, is wat de Psalmist teekent in deze woorden: „Gij zult ze reranderen, en zij zullen reranderd wezen. Altoos het ivorden, hier nooit het zijn. -Hier geen blijvende stad, maar een zoeken van de toekomende." Aan 's moeders borst ontsluit zich ons oog. Van kind worden we knaap en jongeling. Wie jongeling is, haast zich om man te worden. En als we man zouden willen blijven, worden we grijsaards. Straks stokouden, en dalen in het graf. En dat worden en verworden in onze jaren, het is slechts het beeld van de rustelooze verandering, waar heel onze existentie doorheen jaagt. Onze opvoeding is a-orden. Heel onze levenservaring is gevormd worden en rijpen. Eiken morgen dat we ontwaken, groeien, en zijn we weer anders dan toen we insliepen. worden van klein groot. Schier geen trek op ons gelaat blijft eender. Telkens andere gewaarwordingen gevoelens verlangens. Rustelooze wisseling in ons uit- en inwendig bestaan. Soms zelfs gaat dat veranderen in en aan en om ons, zoo snel en zoo schier geweldig toe, dat we vervreemden van ons zelf, en ons als gejaagd gevoelen door een drijver, die nooit aflaat. Nu is al dat bange in het veranderen uit de zonde; maar ook al denkt ge n er dit angstige uit weg, nooit zijn, maar rusteloos veranderen, zou toch uw deel op aarde wezen. Natuurlijk, er is iets in u, uw ik, uw verborgen wezen. De man die zat van dagen sterft, is hetzelfde wezen, dat eens als kindeke door zijn moeder ontvangen werd. Maar in zijn toestand in zijn bestaanswijs in zijn aanzijn en existentie viel nooit anders dan verandering waar te nemen. Vergelijk maar het portretje van het kindeke aan 's moeders borst met de beeltenis van den grijsaard, gemaakt kort vóór en in dien zin bezat
Maar
,
hij
,
,
We
,
,
,
,
hij
stierf.
Hij loas dat kindeke, en ook die grijsaard is hij, maar als een kleed verouderd. Dat is het wat de Schrift noemt „de verandering der bewegelijke dingen"; en daartegenover plaatst dezelfde Schrift nu „de dingen die niet bewegelijk zijn", het leven daarboven, dat niet :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's