De gemeente gratie - pagina 568
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET VERZEKERINGSWEZEN.
564
dat velen uit Jeruzalem den Heere Jezus met vurige liefde aan-
al is het,
hingen, toch wordt heel Jeruzalem door Jezus
om
het ongeloof der anderen
aan verderf en vloek prijsgegeven.
Tegen
die
van Godswege ons geopenbaarde beschouwing der zonde staat De wereld is Pelagiaansch,
nu de wereld in haar ongeloof lijnrecht over. Arminiaansch. En
Pelagianisme komt nergens sterker in
dan dat men ieder mensch op zichzelf stelt, den organischen samenhang van mensch en mensch loochent, het „Ben ik mijns broeders hoeder?" tot levensleus verheft, en een iegelijk hoofd voor hoofd een geheel afgesloten en aparte rekening met God laat voeren. Dan is er geen erfschuld, geen
is
dit
uit,
geen gemeenschappelijke schuldbelijdenis, geen geestelijk deel-
erfzonde,
En nadat men dat valsche individualisme eenmaal in het algemeen besef heeft doen post vatten, spreekt het vanzelf, dat men zich aan Golgotha ergeren gaat. Zulk een ,,bloedtheorie" kan het Pelagiaansche hart niet dulden. Als ik schuldig ben en Jezus onschuldig, wat heeft
genootschap.
Jezus dan met mijne schuld te doen, hoe kan
hij die
dan dragen? Dat
het „Draagt elkanders lasten" van den apostel juist op geestelijk bederf zag,
hadden deze hoogwijze Pelagianen nooit verstaan, en ze verstaan het
nog
niet.
Staat nu dit eerste vast dat er solidariteit van schuld is, dan zal het niemand kunnen bevreemden, dat ook het lijden dat met deze solidaire schuld samenhangt, eveneens een gemeenschappelijk en niet een persoonlijk
karakter draagt.
En
toch dit
wat
het,
is
zelfs
zoo weinig gevoeld wordt. Tal van keeren hoort als deze: „Ik
onder de geloovigen nog
men nog
heb hem zoo dikwijls gewaarschuwd, dat
zijn
redeneeringen leven zoo niet
Dan moet iemand ook maar nu eens wat tegenspoed die man met zijn kinderen heeft. Het ééne gestorven, het andere een been gebroken, het derde half idioot." Men oordeelt dan dat iemand verkeerd liep. Men ziet dat hem harde tegenspoed treft. En nu is men aanstonds gereed met zijn
voort kan gaan, maar
hebben wat er
bij
hij
staat.
wilde nooit hooren.
En
oordeel, dat die tegenspoed
zie
hem om
neemt nu zulk verwijt en oordeel toch
is
bij
ieder dien harden
En
vorm
al
aan,
het altoos dat rechtstreeksche verband tusschen iemands zonde
en iemands levenslot, waarop voor
dat verkeerd loopen overkomt. niet
zichzelf.
Men had nu
men
zijn
beschouwingen bouwt; bouwt ook
toch zoo beslist van die en die oude zonde
men had nu een zooveel beter leven geleid, nu moest er dus voorspoed komen. En toch zie, het lijden hield aan, ja, verergerde nog. Waar bleef dan Gods rechtvaardigheid? En daarop doordrijvende zonk afgelaten,
meer dan één
in
zijn
toch niet te helpen,
om
oude zonde terug. Het laten van de zonde bleek aan het lijden te ontkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's