De gemeente gratie - pagina 164
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
:
jEzus' EN rome's rechtsbedeeling.
160
wilde, nomadische leven te laten varen, op vaste plaatsen te gaan w^onen,
en
in akkerbouw^, bedrijf
en handel een levensbestaan te vinden. Dit
leven toch, dat aan vaste woonplaatsen gebonden
behoefte met zich,
om
is,
stillere
brengt vanzelf de
macht in het bezit van zijn moet zekerheid bezitten, dat
zich door een ordelijke
zien. Wie zaait, kunnen maaien, en dat niet een ander zijn oogst rooven komt. En toen nu op die wijs inwendig en uitwendig de geest des menschen op het aannemen van een regelende orde in de samenleving was voorbereid,
huis
en erf beschermd te
hijzelf zal
heeft
God de Overheid
ingesteld, en in die
Overheid het hooge, zedelijke
karakter van de menschelijke orde der samenleving belichaamd en bezegeld. Immers het was niet maar de vraag, of men niet over en weder elkander het rustig bezit van leven en eigendom waarborgen kon,
maar heel anders
van ons afhing, hoe hadden te buigen onder we allen saam maar dat wilden, we samenleven ingesteld. De overtuiging leven had een orde die God voor ons menschelijk moest gewekt, dat het recht geen product van onze willekeur, maar een of al
dan niet het besef zou opwaken, dat het
inzetting
Gods was, waaraan we ons hadden
niet
te
onderwerpen.
En
juist
daaruit moest de hooge gedachte opkomen, dat de overtreder tekeer moest
gegaan, niet omdat
God
hij
ons benadeelde, maar overmits
hij zich
aan de van
gestelde rechtsorde vergrepen had. Eerst op die wijs kon de heer-
schappij
van de physieke kracht en menschelijke gemeenheid vernietigd, getemperd worden, en de heerschappij van een onzichtbare,
of althans
geestelijke
rechtsorde
onder menschen worden hersteld.
En
dit
nu gaf
God ons in de Overheid, die Hij bestelde, die zijn dienaresse was, en aldus op het recht onder menschen een heiligen stempel drukte. Het recht zou zijn niet een peuterend schikken en plooien tusschen duiven en haviken, hoe ze goedschiks kwaadschiks het saam zouden uithouden, maar het tot heerschappij komen onder menschen van de orde der samenleving die God voor hen besteld had. Tevens moest daarom de Overheid voorzien zijn van
een macht sterker dan de macht van den sterkste onder hare onderdanen. De Overheid moest desvereischt den sterksten arm breken kunnen, om het recht door te zetten en te wreken, en den zwakste tegen den sterkste te beschermen. In alle geweldpleging dook weer de dierlijke rechtsorde
en deswege moest de Overheid met zulk een volstrekte overmacht bekleed zijn, dat zij in den regel reeds door den indruk van haar majesteit op,
den sterke, die kwaad wilde, zwakste alle vrees ontnam.
in
bedwang
hield,
en juist daardoor den
Nu heeft deze instelling, door de gemeene gratie, van de rechtshestelUng en de rechtshandhaving door de Overheid ongetwijfeld noch terstond, noch ook overal, noch duurzaam een idealen toestand
in
het leven ge-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's