De gemeente gratie - pagina 234
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
230
BEROEP EN LEVENSLOT.
verplichting dan ook een ongemeene gift van gemeene gratie. En ouders, voogden en onderwijzers, die hun kinderen, pupillen of leerlingen, laten „lummelen en scharrelen", zooals de leelijke woorden voor dit leelijke
nietsdoen luiden, en hen niet van meet af aan geregelden arbeid gewennen,
staan
schuldig
niet
maar
kinderen,
aan het verspelen van de toekomst hunner
alleen
ook aan hun zedelijk bederf.
Spreukendichter gedurig
wijst,
is
De
waarop de
„tucht"
van den gere-
niet het minst de tucht
God danken,
gelden arbeid, en wie zichzelven in hooger zin hefheeft, zal
maar
niet als hij niets te doen heeft,
arbeid
druk
heeft,
want drukke
een schild tegen het kwaad.
is
Doch ook beroep
als hij het
als
afgezien van de
„gemeene gratie"
zoodanig schuilt,
ligt
ook
den arbeid van
die in
alle
bijzondere beroepen soms een
in
gratie, waarvoor we onzen God, zoo ze ons te beurt danken hebben. In zeer breede klasse der maatschappij is de vrouw in haar beroep zooveel meer beveiligd dan de man. Neem een opperman, die eiken morgen als nauwlijks het licht aan den hemel staat,
buitengewone gemeene te
valt,
zijn
deur
zijn
schouders beurt, en naar den metselaar opdraagt,
laat,
uit
moet, heel den dag steenen op een hoopje stapelt, en ze op
de dag doorleefd
als
om
eerst
's
avonds
huiswaarts weder te keeren; en vergelijkt
is,
daarmede de vrouw van dien opperman, die stil thuis bleef, geen steenen van den hoop, maar haar kinderen uit het bed tilde, ze wiesch en kleedde en verzorgde, en met
allerlei
Wat waren
afwisselenden arbeid bezig was.
die steenen niet doodend voor het menschelijk hart, en wat kon dat
bezig zijn thuis het hart van die
vrouw
niet
stille
vormen en ontwikkelen. Of
ook van twee broers wordt de één predikant en gaat de ander het leger of gaat varen op zee. Hoeveel heerlijke indrukken uit hooger levens-
in
sfeer ontving
nu
niet
ander bloot.
niet de
de één, aan wat gelegenheid tot verleiding stond
En
zoo zal
men
heel het leven doorgaande, telkens
vinden, hoe de één in zijn beroep een natuurhjk middel vindt, verlustigen terwijl de te
gaan
;
gehouden
m
en bezig te
ander
in
zijn
met hooge,
de eentonigheid van
en evenzoo dat de een door w^ordt, terwijl
heilige,
om
zich te
verteederende dingen,
zijn stoffelijk
beroep dreigt onder
beroep
braafheid en deugd
zijn
de ander juist door
zijn
bij
beroep aan
allerlei onze-
delijke verleiding is blootgesteld.
Wat toch is de bewegende oorzaak, dat de één een zoo gelukkige roeping ontvmg, de ander een zoo gevaarlijke, en dat met een verschil dat vaak uitliep op zedelijke verheffing voor den één en op zedelijken ondergang voor den ander. En ook hier antwoordt God Ook
niet
hier het mysterie!
van
zijn
stof te buigen.
heilig
Maar
doen,
en hebben wij ons eerbiedig voor
dit staat
dan toch
vast, dat
Hem
in het
wie een gelukkig beroep
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's