De gemeente gratie - pagina 394
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEBONDEN EN TOCH
390
het leven der plant of van het dier,
blijft
VEIJ.
het zedelijk karakter van ons
menschelijk aanzijn ten einde toe overstaan. In de hel tot een
maar
gedaald,
er geen besef
in
zelfs
meer
zijn
van den worm
die
heerlijkheid volstrekt niet te boven gekomen, zijn
minimum
de hel nooit geheel uitgewischt; anders toch zou
hoogste volkomenheid.
Omdat
knaagt; en in het
maar
der
rijk
alleen opgevoerd tot
er alsdan geen strijd
meer
zal bestaan,
na de beëindiging van van de kinderen Gods ontplooid zijn. Maar hoe streng w^e dit ook vasthouden, toch neemt dit het feit niet weg, dat wij proefondervindelijk het zedelijk leven niet anders dan „in het teeken van de zonde" kennen. Wat adder het opkomen der zonde ligt, maakt diensvolgens op ons den indruk, als we ons zoo mogen uitdrukken, als had het vanzelf geloopen, en denken we ons in in het Rijk der heerlijkheid, dan kunnen we ons zal
dien strijd het zedelijk leven in de volle
juist
vrijheid
evenmin voorstellen, dat er nog toezicht en bestuur van een Voorzienig
God noodig
zou
zijn.
Ook
dan,
om
dezelfde uitdrukking hier
met
geen stoornis in
te
duchten staat of kan voorkomen, heeft datgene wat wij
subjedieven zin
terrein,
allen
Waar
eerbied te herhalen, zal voor ons besef weer alles vanzelf loopen.
Gods Voorzienige zorge noemen, geen is wat we,
geen sfeer voor haar werkzaamheid. Het
plaats, bij
geen
het begin
dezer bespreking zeiden, de Voorzienigheid vervult subjectief voor ons de rol
van den medicijnmeester, die het kranke herstellen en levensgevaar
afwenden komt, en natuurlijk waar geen krankheid meer voorkomt of denkbaar is, blijft voor den arts niets te doen over. Nu is dit absoluut genomen uiteraard ten eenemale onjuist. De Voorzienigheid, gedacht als instandhouding en regeering aller geschapen dingen,
vangt niet eerst aan met de zonde, en eindigt evenmin als de zonde
zal
zijn te niet gedaan, maar begint terstond aan de Schepping en kan nimmer een einde nemen. Het ophouden der Voorzienigheid zou de wegzinking van het heelal in het niet zijn. In onze belijdenis, de zaak nu absoluut genomen en van Gods zijde bezien, moet derhalve de Voorzienigheid voorkomen, als zich uitstrekkende van het oogenblik af dat de Schepping voltooid was, of wil men van Gen. 2 1, tot in alle eeuwigheid. Niet hij aUeen :
is
de
ruiter,
die
met
zijn
paard moet worstelen, en met teugel, spoor en
zijn paard in bedwang moet houden, maar het volkomenst zelfs komt het meesterschap van den ruiter over zijn ros uit, als van verzet of worsteling niets meer te merken valt, en het edel dier, als ware het met zijn ruiter één geworden, regelmatig en met volleerde volgzaamheid zijn
rijzweep
meester zóó gehoorzaamt, dat er van kastijding of beteugeling zelfs geen sprake meer is. En zoo ook komt de Voorzienigheid Gods volstrekt niet alleen daarin uit,
dat Hij deze wederspannige wereld in toom houdt, en
het woeden der volken en de razernij der boozen belacht, maar Voorzienig meesterschap van
God over
heel zijn wereld
zal
dat
eerst diin in volle
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's