De gemeente gratie - pagina 213
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
209
ONMIDDELLIJKE WEDERGEBOORTE.
Elke levensuiting van ons zelven, of van anderen voor ons, grijpt ver van het middelpunt
af,
m
den omtrek plaats.
kan niemand
Bij die spil
bij.
Die
niemand onder zijn bereik. Tot die binnenste spil van ons leven heeft God den toegang. En zoo blijkt dan ook langs dezen w^eg, hoe zelfs het flauwste denkbeeld, alsof er bij de wedergeboorte van eenige medewerking van 'smenschen zijde, en alzoo van voorbereidende genade in die medewerking, sprake kon wezen, ten eenemale moet worden afgewezen. heeft
alleen
Nog
sterker treedt dit aan het licht, zoo
die in dit
men
let
op de twee dingen,
middelpunt van ons leven wel te onderscheiden
zijn.
We
hebben
in ons ons bestaan, en ten tweede ons hewustsijn van ons bestaan. We zijn en we denken. Hoe die twee samenhangen, weten we niet. Slechts zooveel staat vast, dat in God is vooreerst het Eeuwige Wezen, en ten
tweede het Goddelijk Zelfbewustzijn van
Eeuwig Wezen, en dat
dit zijn
de mensch, als naar den beelde Gods geschapen, evenzoo onderscheidenlijk een aanzijn en het zelfbewustzijn van dit aanzijn ontving.
Nu
vindt, let
de bekeering uiteraard haar sfeer in dat zelfbewustzijn. Een
wel,
een zinlooze, een van het verstand beroofde kan toestand
blijft,
niet bekeeren.
De wedergeboorte moet
Maar anders
zich,
staat het
als
men nu op
de
spil,
dien
de zonde door-
drong, en de zonde heeft niet alleen ons bewustzijn vervalscht,
onze natuur verdorven. Gaat
idioot,
hij in
met de wedergeboorte.
even diep doordringen
juist
zoolang
maar ook
op de kern, op het mid-
delpunt van ons menschelijk bestaan terug, zoo moet wel én de kiem van ons aanzijn en onze natuur, én evenzoo de kiem voor ons bewustzijn, in dat middelpunt schuilen. In den omtrek komt niets uit
dat middelpunt. Alzoo
ligt
uit,
dan wat werkt
én de bron waaruit onze natuur werkt, én
de lichtbron waaruit ons bewustzijn opvlamt, in dat ééne middelpunt, en zulks wel in zulk niet
een verhouding, dat het bewustzijn de natuur volgt,
zoo van alle uitingen onzer
ons bewustzijn, onder dat,
En waar nu God alleen natuur, als met name van
de natuur het bewustzijn.
om
actie
zijn
bestel heeft,
dit uitgangspunt, alle uitingen
van
daar volgt hier noodzakelijk
uit,
ten deze onzerzijds mogelijk te maken, eerst de volledige
daad der levendmaking van Gods werking onzerzijds,
hetzij
uit
zijde
moet
zijn
voorafgegaan.
de aandrift onzer natuur,
Van mede-
hetzij in
ons be-
wustzijn, kan alzoo eerst dan sprake komen, als de w^edergeboorte als
zoodanig haar volledig beslag heeft verkregen.
Slechts
zij
men op
zijn
hoede,
vervallen, en de wedergeboorte lijke
scheppingsdaad. Ook
dit is
om
hierbij niet in
een ander uiterste te
voor te stellen als een geheel
onafhanke-
geschied en geschiedt nog, juist ten einde
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's