De gemeente gratie - pagina 295
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
:
HET ENTEN VAN DEN WILDEN BOOM. openbaar worden zonde
te
291
werkende mij door het goede den dood;
zijn,
opdat de zonde boven mate wierd zondigende door het gebod. weten, dat de wet geestelijk
Want
de zonde. doe
ik
ik
ik haat, dat
doe
nu
wij
zij
ik wil, dat
indien ik datgene doe,
goed
is.
Ik dan doe dat-
meer, maar de zonde die in mij woont." Metterdaad,
niet
men
bij
onwillekeurig tot de slotsom komen, dat de
man
zoo schreef, verliep in ongerijmdheden en zich in tegenspraak
met
eerste lezing, zou die
En
ik.
dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe, dat zelve
Want
ben vleeschehjk, verkocht onder
hetgene ik doe, dat ken ik niet; want hetgene
maar hetgene
niet,
maar
is;
zichzelven verwikkelde.
Maar zoo
hier tweeërlei leven zich
opkwam, en het andere
iets hierin duidelijk
uitspreekt: het ééne
gelijk het zijn
En bepalen we ons nu voorshands geen
twijfel onderhevig, of dit
is,
gelijk
dan wel
dit,
dat
het uit de natuur
oorsprong vindt in de wedergeboorte.
tot dit vaste resultaat,
nieuwe leven
leeft uit
dan
is
het aan
de particuliere genade,
en wat er nog goeds komt uit dat oude leven kan alleen vrucht zijn van gemeene gratie. Doch op die tweeërlei bron, waaruit genade toevloeit én aan het nieuwe én aan het oude leven, worde dan ook scherp, scherper dan dusver gelet.
men nu aan
Vraagt
de Heilige Schrift, of dat nieuwe leven zoo ingroeit
het oude leven, dat het zich met het zondige karakter van dat oude
in
God
leven vermengt, dan luidt het antwoord beslist ontkennend. „Die uit
geboren 5
:
18,
zeggende
zondigt,
hem
en
niet,
hij
kan
niet zondigen,
hem", zegt de apostel Johannes. En
in
blijft
zondigt
is,
maar
:
„Wij weten, dat een
die uit
Geheel
niet".
God geboren
is
in Christus
voorbijgegaan,
nu de verdere apostolische
zie,
herhaalt het in
iegelijk, die uit
God geboren
1
Joh.
is,
niet
bewaart zichzelven, en de booze vat
in gelijken geest, als
„Zoo dan, indien iemand het oude
is,
hij
want het zaad Gods
waarin Paulus zegt
Jezus
het is alles
schriftuur, dat
is,
die is een
(2 Cor.
5
:
17)
nieuw schepsel;
nieuw geworden" Leerde ons .
noch Paulus noch Johannes
noch de Christenen aan wie ze schreven, zich
ooit
zelf,
aan eenige zonde be-
zondigd hadden, zoo zou dit geen moeilijkheid opleveren. Het zou een-
voudig tot de slotsom leiden, dat de Christenen in die dagen volkomen „heiligen" niet
waren, en
wij, die
ons dagelijks van zonde bewust
zijn,
zouden
anders kunnen besluiten, dan dat zulke uitspraken op ons niet toe-
passelijk waren.
Doch dat
hij
dit
is
niet zoo. Paulus zelf belijdt in
Rom. 7
nog gedurig door zonde verrast wordt, en
opzettelijk en openlijk, zijn
bestraffingen en
vermaningen aan de kerken dier dagen leveren het voldingend bewijs, dat de smetten en rimpels ook destijds vele, soms zeer groote waren. Bovendien hun uitspraken zijn volstrekt en onbeperkt. „Een iegelijk die uit God
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's