De gemeente gratie - pagina 201
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
VOORBEREIDENDE GENADE.
197
heid komt uit onze wel verzwakte maar nochtans niet verdorven natuur;
en de ander: Deze bekwaamheid spruit op geheel
niet
uit
onze wel ten deele, maar
bedorven natuur; terwijl wij Gereformeerden zeggen: Deze
bekwaamheid dankt de zondaar, niettegenstaande zijn natuur in haar wortel is, uitsluitend aan de gemeene gratie Gods, die de consequente doorwerking van het bederf uit den wortel zijner natuur tijdelijk, en met verschil van graad, stuit.
geheel bedorven
Toegepast op het intreden
nu
dit
tot
het verschil dat
natuur van den zondaar niets
de
in
ziel
van de particuliere genade,
leidt
volgens Gereformeerde belijdenis, in de
er,
en uit de natuur van den zondaar niets
is,
kan opkomen, dat de particuliere genade zou kunnen uitlokken of aannemen, maar dat integendeel al wat uit de natuur van den zondaar opkomt, zich tegen de particuliere genade aankant en verzet. Zelfs een dispositio praeviens
ad conversionein,
d.
i.
een voorafgaande geschiktheid
worden beleden. Er is naar onze belijdenis, op het oogenbUk dat God zijn hand aan den zondaar aanlegt, om hem ten leven te brengen, in hem niets, en er kan niets in hem zijn, dat, uit zijn natuur opgekomen, anders dan vijandig tegen deze daad Gods over zou staan. Wat de Heilige Schrift ons omtrent de vijandschap tegen God in het hart van den zondaar leert, moet geheel in dezen zin hekeering, kan door geen Gereformeerde
ter
verstaan worden.
Zij
zegt niet, dat er ook onder onbekeerden niet gevoel
van eerbied voor het Eeuwige Wezen kan
noch ook dat de onbe-
zijn;
keerde ondervraagd, zich altoos in boozen, vijandigen zin over den Vader de hemelen zal uitlaten. Integendeel, het
in
is
zeer wel denkbaar, dat ook
de onbekeerde lofhymnen op den God der Liefde
mee
zingt.
Maar wordt
bedoeld, dat, als de particuliere genade komt, die eischt dat
eeuvrigen dood bekennen
zal,
hij
van zichzelven
in plaats
er
hij zijn
prijs te
geven
en te willen sterven, zich veeleer tegenover God poogt te handhaven, en in
zijn
hoovaardij en trots zich tegen dien
God
die
hem
zoekt en redden
wil, als vijand overstelt.
nu zoo, dan spreekt het vanzelf, dat er op Gereformeerd terrein nimmer van iets, wat ook, in den zondaar sprake kan zijn, waardoor hij met iets ook maar van zijn kant het werk Gods zou kunnen tegemoet komen, om, medewerkende met God, het groote werk zijner toeIs
dit
nooit of
brenging ten leven tot stand te helpen brengen.
De zondaar
dat groote werk niet alleen niets toe, maar voor zooveel aan
poogt
hij
het te verijdelen. Zelfs al
is
hem
staat
er zekere dorst naar eeuwige zalig-
heid in hem, dan zal
bij
om om
verwerven, maar nooit zal
nog wel
brengt aan
zelf allerlei
andere heilswegen uitdenken,
gewonnen geven den door God verordenden heilsweg te verkiezen. Daar is hij niet voor, maar daar staat hij tegen. Door de enge poorte gaat niemand eigener die
zaligheid te
hij
zich
beweging binnen. Allen, zonder onderscheid, lokt de breede weg. En het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's