De gemeente gratie - pagina 231
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
BEROEP EN LEVENSLOT.
227
ZOO weinig, dat velen zich zelfs inbeelden, (jeen Goddelijk beroep te
dit
hebben met
al; iets
wat met name geldt van jonge mannen zonder vaste
van renteniers, van gepensionneerde personen, en van onge-
aanstelling,
huwde vrouwen. En
zekeren zin moet erkend, dat in
in
staat het levensberoep nog niet,
beroep
in
engeren zin verstaat
men eene
Aanstelling
Onder
is.
is
op een bepaald
geen vereischte. Een winkelier ontving van niemand
en weet toch zeer wel, dat
aanstelling,
wezen
is
zulken levens-
wederkeerende verbon-
dagelijks
denheid tot het verrichten van een arbeid, die gericht doel.
al
vast begrensd
of niet meer,
een vast beroep, met aange-
hij
en telkens wederkeerenden arbeid heeft. In de menschelijke
doel,
samenleving moet eiken dag een onmetelijke massa arbeids verricht worden
van
Die massa arbeids verdeelt zich onder hen die er in
aard.
allerlei
saamleven, en in dat deel arbeids dat óns hieruit
we
is
aangewezen, vinden
ons beroep; en alleen de gewoonte heeft, hoezeer ook ten onrechte,
er het spraakgebruik
ook den huislijken arbeid, heeft
kelier
om
gebracht,
toe
hierbij
de huisUjke saam leving, en dus
niet in rekening te brengen.
huisgezin én zijn beroep,
zijn
d.
die
een enkelen dag op naaien in een gezin
uit
te
van
Maar de huismoeder,
oefenen.
's
morgens vroeg
tot
's
die
zijn
i.
winkel.
Een
Een winnaaister,
wordt geacht een beroep
is,
dat zelfde gezin eiken dag
in
avonds laat bezig
is,
heeft naar dat foutieve
Deze engere opvatting heeft haar men bij beroep meer aan den
spraakgebruik, zulk een beroep niet.
oorzaak in tweeërlei. Ten eerste hierin dat
man aan
dan aan de vrouw denkt; en ten andere dat men bij beroep denkt waardoor men zijn brood verdient, of waarin men zijn bestaan
iets
Toch
vindt.
het begrip van beroep noch het één noch het ander.
in
ligt
Een weduwe kan evengoed aan het hoofd van een winkel staan,
als
dit
vroeger haar
man
deed; en
of kleine fabriek
al zijn er schrijvers
en kunste-
naars die met hun werken niet alleen niets verdienden, maar soms nog
schade leden, toch konden ze daarom zeer wel
zijn: schrijvers of
kunste-
naars van beroep.
Geheel het menschelijk leven sluitende,
hebben we dus
volle
als
zoodanig overziende, en niemand
recht,
om
te
geregelde bezigheid te verstaan, waaraan
alle
uit-
dezer plaatse onder beroep
we
wijden hebben; en in dien zin nu
dagelijks onze kracht en
niemand zonder beroep,
onzen
tijd te
en
het juist een fout van zoo velen dat ze hun beroep niet inzien. „Ik
is
doe nu maar
niets,
want
ik
wacht op een
is
betrekking''. „Ik doe
nu
niets
meer, want ik heb mijn pensioen". „Ik heb niets uit te voeren, want ik leef
van mijn rente". „Ik heb niets te doen, want
thuis",
—
besef.
Een
met hetzij
alle
zijn
altegader uitingen
ieder
kracht;
om andereu
ik leef
nog
bij
vader
van gemis aan roepmg en aan phchts-
moet werken; moet werken eiken dag; moet werken hetzij bij
tot
verhooging van eigen persoonlijke waarde,
te staan, hetzij
om
anderer verwaarloosde belangen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's