De gemeente gratie - pagina 240
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE GENADEMIDDELEN.
236
theorie ook thans toepassen op hen, die in ons eigen
midden buiten den
Christus wegsterven, en zoowel zijn Godheid als de Verzoening door zijn offerande steeds hadden geloochend, bestreden en als verwerpelijk ten toon Wij, Christenen,
gesteld.
hebben ons
aan het Woord te houden,
stiptelijk
En
en missen elk recht, hierop uitzonderingen te maken. ringen wijzen
we dan ook
af,
in
hardheid van hart, maar overmits
uit
we
ons eigen geloof ondermijnen en
breken zouden, bijaldien we, buiten de Schrift om, en stellige uitspraken,
een tweeden weg des heus
Maar anders kwam
natuurlijk
zulke uitzonde-
het minst niet uit gemis aan deernis of
in strijd
met haar
als mogelijk stelden.
de vraag te staan, als er sprake
viel,
van de volwassen Heidenen, maar van de kleine kinderen, die onder Heidenen, Joden of Mahomedanen zeg vóór hun tweede jaar wegsterven. niet
Op
deze
de regel der Schrift, dat alleen wie den naam van Jezus aan-
is
roept zalig kan worden, niet toepasselijk. Bij zulk een klein wicht toch
is
ook onder ons van een belijden van Jezus nog geen schijn of schaduw
men dus van tweeën één doen
aanwezig. Hier moet
regel niet toepasselijk verklaren, óf wel
alle
onze
:
den gestelden
óf
kleine,
vroeg
weg-
stervende kinderen in de zaligheid insluiten. Dit laatste nu doet niemand
en
men
ingaan,
geeft grif toe,
ook
met ons
hebben
al
in
dat zulke kleine wichtjens ter zaligheid ze
nooit
en daarom der verdoemenis
zonde ontvangen en geboren,
onderworpen, zoo volgt
kunnen
van Jezus gehoord. Zijn ze nu nochtans
hieruit, dat
God dezulken op een voor ons
onbe-
moet wederbaren, met het geloofsvermogen begiftigen, en hun deel moet geven aan de heilgoederen van Christus. En op dien grond nu is het, dat niet weinigen, met name in Amerika, thans neigen en over-
grijpelijke wijze
hellen
tot
de
dat alle zulke kinderkens,
stelling,
niet
alleen onder ons,
maar ook onder Heidenen, Joden en Mahomedanen, voor hun sterven door God ten leven verwekt worden. Hoeveel er echter in zulk een stelling zijn lijke
moge, dat ons menschelijk hart toespreekt, toch heeft geen Christekerk haar ooit
in
de Belijdenis opgenomen, en
dat wie zoo spreekt, meer beweert, dan toch
is
onzerzijds nooit geleerd,
mag
niet verzwegen,
verantwoorden kan. Vooreerst
hij
dat alle onder ons vroeg wegstervende
kinderkens zalig worden, maar alleen de uitverkorene. Dit ons besef wel geen enkel kindeken
maar het
zijn;
plaats
belijden
want
uit,
ze
kunnen
lui sluit
stelt
de zaak toch in een ander daglicht. In de tweede
onze
kerken, dat „geloovige ouders^' deze hope
bij
vroeg wegsterven van hun kinderkens hebben mogen, en ze zeggen zelfde
voor
allen verkoren
volstrekt niet
verband met het
het dit-
van de „ongeloovige ouders". Haar uitspraak houdt
Verbond en de
Ver bandsgenade, waar de Heidenen,
Joden en Mahomedanen natuurlijk buiten
vallen.
En
in
de derde plaats
ontbreekt alle rechtstreeksche aanduiding in de Heilige Schrift, waaraan
we
het recht zouden kunnen ontleenen,
om
zoo ver reikende stelling als
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's