De gemeente gratie - pagina 107
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE PRAEDESTINATIE
VERBAND MET „ALLE DINGEN".
IN
Rom. 9 22 en
uitspraken van den heiligen apostel Paulus in
gezegd te hebben, indien ze
alles
als doel
:
103
23,
oordeelden
voor de verkiezing en de ver-
werping wezen op de openbaring der barmhartigheid en der gestrengheid Gods. Gevolg waarvan dan ook geweest is, dat ze in de leer der Voorbeschikking óók wel den Christus, en
en
fcijn
opstanding, en
maar
inlaschten,
dit
vleeschwording, en zijn zitten ter
onder geen ander
alles
„bestelde genademiddelen",
als
zijn
hemelvaart, en
zijn
om
zijn sterven,
rechterhand Gods
licht lieten
voorkomen, dan
de zaHging der uitverkorenen te ver-
wezenlijken.
Het
nu tegen deze
is
eenzijdige en beperkte opvatting
van het besluit
der Voorbeschikking, dat verzet moet worden aangeteekend, niet het minst in
naam
mensch
der Heihge Schrift zelve. uit
de overige schepping;
de overige schepping glippen. schepping, wordt de
men
Op
samenhang
Op zulk een wijs toch isoleert men den men neemt den mensch apart, en laat
die
manier wordt de eenheid van Gods
in zijn heilig bestel
wat God vereenigd heeft. De wereld
is
niet
verbroken, en scheidt
maar een
zilveren schaal
waarop de gouden appelen een oogenblik zijn neergelegd, om ze er straks weer af te nemen; of, zonder beeldspraak, de wereld is niet maar een schouwtooneel waarop de mensch tijdelijk optreedt, om straks heel dat schouwtooneel weer af te breken, en alleen den mensch over te houden, maar de wereld die God schiep, en de mensch dien Hij in die wereld plaatste, vormen één organisch geheel. God schiep „den hemel en de aarde", en die hemel en die aarde maken saam het instrument zijner glorie uit. Die aarde en die hemel, zijn niet zonder den mensch, maar ook die
mensch
is
niet zonder die aarde
het oog alleen de glinstering der nisch één
is
ziel
en dien hemel denkbaar. Gelijk wel openbaart,
met heel het lichaam, zoo ook "
is
maar toch dat oog
orga-
de mensch wel, als naar
openbaring van Gods scheppende almomensch toch niet denkbaar zonder die wereld, wier orgaan en priester hij is. Hij is verwant aan het dierenrijk, verwant aan het plantenrijk, verwant aan het delfstoffenrijk. Hemel en aarde zijn in den mensch als in één brandpunt geconcentreerd. God heeft wel twee aparte dingen geschapen, eerst het heelal, en voorts den mensch bij en in dat heelal, maar dat heelal en dien mensch schiep Hij toch als één geheel. Noem dat heelal een machtig mystiek hchaam. dan is de mensch in dat Uchaam Jiet hart, waarin het leven klopt, den mond waardoor het heelal ademt, het oog waardoor dat heelal ziet. Maar hoe hoog ook de centrale plaats zij, die de mensch in dat heelal inneemt, ge moogt noch den mensch van dat heelal noch dat heelal van den mensch afscheiden. De mensch is geen schepsel, dat op het heelal als schip, op de haven der eeuwige ruste aanstuurt, om, is hij in die haven aangekomen, het schip vaarwel te zeggen, d. i. om alsdan aan het heelal den rug toe te keeren, en nu voortaan
Gods beeld geschapen, de
gendheid, maar ook zoo
is
rijkste
die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's