De gemeente gratie - pagina 395
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEBONDEN EN TOCH
heerlijkheid iiitbHnken, als er van verzet geen zal
geen beteugeling
zijn,
vrijheid
zelfs
van de kinderen Gods
komenste wijze
in
391
VRIJ.
schaduw meer
meer noodig
zal
bespeuren
te
wezen, en de hoogste
op de
dócirin zal uitschitteren, dat ze
vol-
het gareel van Gods ordinantiën zich voortbewegen tot
eeuwige heerlijkheid.
Maar
al
dit
is
zoo in de absolute belijdenis, het
subjectieve voorstelling die
we
niet alzoo in de
is
verkrijgen uit onze eigen levenservaring.
Die levenservaring toch komt niet anders voor dan uitsluitend
van zonde. In hope mogen we in
een toekomst, waarin
zalig zijn,
worsteling uit zal hebben,
alle
in
de sfeer
en vooruit ons gelukkig droomen
dat leven zonder worsteling voor ons nog
niet.
En
zij
feitelijk
het
al
bestaat
dat Gods
dieper ingeleide kinderen plekken in hun leven en stukken in hun jaren
kennen, dat ze een oogenbhk de worsteling waren te boven gekomen, en geestelijk voor
wind en
tij
afdreven, toch bleef ook zoo
strengeld door het leven der zondige wereld.
Hun
hun leven om-
leven stond niet op
maar was als ingeweven in het woelen eener zondige wereld; en daarom zelfs met het oog op die oasen in hun eigen geestelijk bestaan, konden ze van Gods Voorzienig bestel toch geen andere voorstelling hebben dan van een Voorzienigheid die worstelt met een verstoorde wereld, om haar te behouden en te heiligen. Dat nu maakt, dat de voorstelling van Gods Voorzienigheid, die we uit onze eigen levenservaring opdoen, feitelijk pas met het opkomen der zonde begint, en voor ons besef een einde neemt met het laatste oordeel. En hier nu is het punt, waar de Voorzienigheid Gods rechtstreeks met de gemeens gratie in betrekking treedt, en geen oogenblik zonder die gemeene gratie denkbaar is. Dit is niet zoo, wanneer ge in uw belijdenis de Voorzienigheid Gods absoluut denkt, want dan gaat ze lijnrecht door, ook daar waar geen gemeene gratie meer werken zal. Maar dat is wel zoo in uw subjectieve voorstelling, en onze Heidelbergsche zichzelf,
Catechismus toont genoegzaam, hoe ook de kerken, van deze
zijde
de zaak
beziende, de Voorzienigheid Gods in dien beperkten zin hebben opgevat.
In
onze belijdenis
(zie
de goede God, nadat Hij
13) staat het absoluut:
Art. alle
dingen geschapen had, deze niet heeft laten
varen, noch aan het geval of de heiligen wil
zonder
zijn
alzoo
stiert
ordinantie,
fortuin overgegeven,
maar
ze naar zijn
en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt
hoewel nochtans God noch auteur
groot en onbegrijpelijk, dat Hij
Want
is,
noch schuld
macht en goedheid is zoo zeer wel en recht vaardighjk zijn werk be-
heeft van de zonde, che er geschiedt.
schikt
„Wij gelooven, dat
zijn
en doet, ook waar de duivel en goddeloozen onrechtvaardiglijk En aangaande hetgeen Hij doet boven het begrip des mensche-
handelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's