De gemeente gratie - pagina 382
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TRANSCENDENTIE EN IMMANENTIE.
378
doen ons medegedeeld. Hij heeft ons in staat gesteld
heilig
zijn
om
iets
verstaan en te begrijpen van de vastheid en onveranderlijkheid waar-
te
mede
wat onder menschen keert en wisselt, zijn heiligen wil hebben wij het recht niet meer, om de kennisse Gods uit onze menschelijke vertolking van zijn doen te putten, maar staan we onder de verplichting, om te rade te gaan met wat Hij zelf omtrent Hij
zijn
in
En
doorzet.
al
dit zoo zijnde,
van ons persoonlijk leven,
zieling
rekenen, omdat niet is.
Waar het te doen is om de bekumien we niet met de Besluiten Gods
eeuwig doen ons geopenbaard
Maar
zijn
verborgen, maar
we handelen van
als
heeft.
maar moet
zijn
mogen we
het van Hemzelven uitgaat, bespreken, dan voorbijgaan,
geopenbaarde wil richtsnoer
zijn
de kennisse Gods, en
eeuwig doen, zijn
gelijk
Besluiten niet
elke uiteenzetting der Voorzienigheid altoos op
bij
de Besluiten die daar achter liggen en die er drijfkracht van uitmaken,
worden teruggegaan. Het is ook hier Gods immanentie en Gods transcendentie. Gods immanentie ziet op zijn inwerking in ons leven, en die heeft altoos plaats naar
den aard des menschen kinderen
dit
is.
Dan
spreekt onze Vader ons toe, zooals wij
behoeven, en genieten
we
zijn
Vadertrouw. Maar diezelfde
in zijn
Vader, die ons eiken dag van ons leven opzoekt, en die met ons als
zijn
lieve kinderen handelt, is en blijft toch altoos de transcendente Gods, d.
onze Vader,
ja,
maar
die in de
hemelen
„opdat
is,
we van
i.
de majesteit
denken zouden". Daartoe opklimmende, verheffen we ons alzoo boven ons eigen leven, met al zijn kleine wederwaardigheden, tot dat hooge Goddelijke gezichtspunt, van waaruit het geheel als één
Gods
niet
aardschelijk
machtige éénheid wordt overzien, en dan valt
alle
menschelijke vorm, alle
„aardschelijk denken" weg, en ontsluit zich voor ons die Oneindige majesteit, die
het alles schiep en het alles in stand houdt en het alles regeert,
en het alzoo
alles
om den Vader bijziet,
maakt
worden en gaan
zijn
leven arm, zijn hart koud,
maar ook wie omdat God troont, drijft,
laat naar zijn
zijn
Vader
is,
zijn
toekomst angstig;
vervalt in een ziekelijk geloof, dat op sentiment en verbrokkeling
en
sluit
moedwilhg den weg,
is
en
blijft
die
hem
opleidt tot die volzalige aan-
Gods genoten wordt.
„onze Vader", maar „in de hemelen", en waar het
wil geschiede" het zielsoog op
het
en
vergeet dat Hij in de hemelen
bidding, waarin alleen de waarachtige kennisse
God
eeuwigen Raad. Wie nu
in de hemelen de trouw en de liefde z^'ns Vaders voor-
„Uw naam worde
Gods geopenbaarden
geheiligd",
„Uw
wil richt, gaat vooraf
opdat de majesteit Gods niet door de
nevelen van onze menschelijke existentie verdonkerd worde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's