De gemeente gratie - pagina 474
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
470
TEGEN DEN VLOEK.
ellende te ontkomen.
die
haar schoot
in
allerlei
In de aarde
ontkiemen, dat er geheel op berekend slaan,
en
hchaam
zijn
een schat verborgen. Ze draagt
is
zaden en kiemen, waaruit is,
om
gewas zal kunnen menschen honger te ver-
allerlei
's
in stand te houden. Alleen maar, de aarde brengt
bebouwd worden. En ook, gewonnen gewas moet daarna zoo bewerkt worden, dat het gezond en smakelijk voedsel voor den mensch uitlevert. Dat verzint de mensch niet. Dat is Gods bestel. God heeft dat alzoo uit genade bereid. Maar de mensch zal zich daartoe moeten inspannen. Het zal hem een harde, zware, zure arbeid worden. En nu gebiedt God hem, dat hij aan dat voedsel niet vanzelf voort. Ze moet daartoe
het
aldus
die
inspanning zich niet zal
mogen
onttrekken. Hij moet den strijd aan-
binden tegen de gevolgen van den vloek, en alzoo in het zweet aanschijns brood eten,
zijns
en het leven redden, dat door den nood en de
den vloek vloeien, bedreigd wordt. Het is zoo, het staat in Gen. 8 19 niet in dien vorm. In het Paradijs na den val is niet geredeneerd en zijn geen dogma's geproclameerd. Er is ellende, die uit
:
geoordeeld,
er
is
gevonnist, er
den volgenden levensweg
Gods
is
Maar
gezet.
in
en
te keer
we
we
lijdelijk
gaan en bestrijden moeten, komt er terstond
alle
spreekt dan toch
onder onze straf
het kwaad, waarin de straf zich
om
beschikbare middelen aanwendt,
zijn
verweren, staat schuldig aan het zesde gebod.
te
de eerste stappen op
zijn
uit dat alles
wil en bedoeling, en de groote vraag, of
verkwijnen moeten, dan wel of
niet
gehandeld, er
in tot beslissing.
uit,
Wie
leven tegen den dood
Adam mag
niet
bij
de
pakken neerzitten. Hij mag niet toegeven aan de gedachte der wanhoop, om dan maar liever weg te sterven. Zelfmoord zit diep in 's menschen hart. Zie maar, hoe die weer op alle manier toeneemt. En dit is uit Adams positie na den val volkomen begrijpelijk. Alleen met één vrouwelijk wezen op heel deze aarde te staan, met Gods toorn over tegen
hem
zonder eind zich aan in
pijnlijker
de elementen
zijn
blik vertoonend,
kon geen levend mensch
toestand verkeeren, dan op dat oogenbhk Adam.
gemeenlijk in zulke toestanden niet genoeg zettende
zich, al
losbrekende, en het Paradijs verlaten, en een woeste wereld
werkelijkheid,
waarvoor
Adam
in.
stond,
Men
stelt
Men
zich
ooit leeft
de ont-
niet helder voor oogen.
Men
lijdt te weinig met Adams lijden, en voelt daardoor niet, wat er moet omgegaan en doorleefd in zijn hart. Maar als men het indenkt, wat het was, met een zondeschuld waar heel een wereld om in vloek verzonk,
zijn
op het geweten, zoo goed als eenzaam, alleen op een nog gansch woeste, wilde wereld te staan, dan zal o.
God, was ik maar weg!
bloed van
zijn
o,
men
er in
kunnen komen, dat de gedachte:
mijn God, vernietig mij eeuwiglijk! door het
menschelijk hart sloop. In dat hart, op dat oogenblik, moest
wanhoop en vertwijfeling zelfmoord en En nu komt God de Heere tusschen
zelfvernietiging begeerlijk
maken.
beide, en zegt: Niet alzoo. Gij zult
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's