De gemeente gratie - pagina 126
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
:
ONDER ONS GEWOOND.
122
centrische voorstelling te verwerpen
is,
zoo dikwijls er van het wezen der
dingen gehandeld wordt, even ongetwijfeld moet de vraag: „Wat dunkt u van den Christus?" het verbindingslid blijven, dat de onderscheidene deelen der dogmatiek in onderlingen samenhang houdt.
Ook
bij
het leerstuk der
„gemeene gratie" hebben we ons alzoo
af te
vragen, waar en hoe in het dogmatisch weefsel de draden loopen, die ons
den samenhang tusschen ontdekken.
We
en het „mysterie van den Christus" van de betuiging van den apostel Johannes vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond", over-
gaan
„En het Woord
is
dit leerstuk
hierbij uit
mits juist in de tegenstelling en in het onderling verband van deze beide uitspraken de aanduiding
ligt
van wat we zoeken. In de Vleeschwording
op zichzelve toch treedt de gemeene gratie niet op.
De ontvangenis van den
volstrekt,
Het
is
Christus uit
als noodzakelijke schakel
den Heiligen Geest
een absoluut wonder. Van graadverschil
is hierbij
is
een
geen sprake.
de ontvangenis niet uit den wil des mans, maar uit den Heihgen
Geest, die alle gemeenschap tusschen den Christus en het zondeleven van
ons menschelijk geslacht
afsnijdt.
En
al
ontkennen wij nu
„maagd Maria" een „toebereid vat" was, en aan,
wanneer we
belijden:
„geboren
de enkele klank stuiten zou, zoo
mag
we
uit
al
niet,
dat de
doet het ons even rustig
de maagd Maria", als ons reeds
lazen: „geboren uit Herodias", toch
ten deze in het altoos slechts betrekkelijk verschil tusschen deze beide
vrouwen nooit de oorsaak van Messias'
worden gezocht. Die heiligheid dankte Messias uitsluitend, oorzakelijk aan zijn Godheid, en wat de instrumenteele werking aangaat, aan zijn ontvangenis uit den Heiligen Geest. Het is deze wondere ontvangenis, die alle gemeenschap met de erfschuld van Adam en alzoo alle gemeenschap met de erfzonde afsneed; en uit dien hoofde maakt het op zichzelf geen verschil, of deze afsnijding plaats greep in het organisme van een edeler persoon als Maria, dan wel of ze had plaats gehad in het organisme van een vrouw van minder edele herkomst en persoonlijkheid. Wie blanke melk door een ondoordringbaren glazen tusschenwand afscheidt van een andere gekleurde vloeistof, bereikt dezelfde uitkomst,
van roetzwarten
wand zijde
heiligheid
onverschillig of hij ze door dien glazen of
wel van zonnig perelenden wijn. Mits de glazen de melk juist even blank, als zich aan de andere
van den scheidsmuur een donkerzwart, of wel een
En
afscheidt
blijft
inkt,
niets doorlate,
wand
licht getint
vocht
was het voor de ontvangenis van den Christus op zichzelve onverschillig, of in de vrouw die hem ontving, het zondige donkerder of lichter geschakeerd was. Indien maar vaststond, dat hij in zijn ontvangenis met dit zondige in de vrouw die hem ontving, geen zweem van gemeenschap kou hebben, deerde het meer of min zondige karakter dier vrouw zijn heiligheid niet. We loochenen daarom wel het feit niet, dat de maagd Maria, naar graadverschil, hoog stond, en doorzien hiervan bevindt.
zoo ook
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's