In Jezus ontslapen - pagina 220
204
„ABRAHAM WEET
A'AN ONS NIET
EN ISRAËL KENT ONS NIEt'
Kennis der herinnering kon liier dus niet bestaan. Hier wordt dus wel in zeer beslisten zin uitgesproken, dat de ontslapenen niets afweten van toestanden of personen, die ze bij liun leven op aarde niet gekend hebben: maar er volgt nog geenszins uit, dat ze niet zeker medeleven zouden kunnen voortzetten met den kring op aarde dien ze gekend badden. Eer zou men omgekeerd kunnen zeggen dat Jezus in de gelijkenis van den rijken man en Lazarus aan Abraham kenuisse toeschrijft omtrent het lot dat op aarde aan i)ersonen die lang na hem leefden, wedervaren is. In die gelijkenis toch toont Abraham te weten, hoe geheel verschillend het levenslot van dien rijken man en van dien armen Lazarus op aarde was geweest. Men voert dan aan, dat wat bij Jesaja staat niet een woord van God, niet een Godsspraak, maar een klacht van een men schis, die zich vergissen kon, en dat in elk geval het woord van Jezus bij ons veel zwaarder moet wegen. Volgens Jesaja's klacht weet Abraham van ons niets, naar luid van Jezus gelijkenis kent Abraham heel ons levenslot. En alzoo zal niet wat Jesajja klaagde maar wat Jezus leerde waar zijn. Toch gaat ook dit weer te ver. Jezus spreekt hier in een gelijkenis. Li die gelijkenis is blijkens wat er van Abrahams schoot staat, het beeld uit de toenmalige voorstelling der Joden genomen. Lnmers geen onzer zal zoover gaan, om te verwachten dat hij na zijn sterven alsnog in Abraham's schoot zal gedragen worden. De verwachting der toenmalige Joden richtte zich na het sterven op Abraham onze verwachting gaat niet naar den ouden Patriarch uit maar naar „ het zijn met Christus ". Slechts zooveel blijkt, dat Jesaja's klacht alleen slaat op het niet afweten van wie we op aarde niet gekend hebben, en niets beslist omtrent het nog merken, ook na onzen dood, van wat hun wedervaart met wie we op aarde lief en leed gedeeld hebben. ,
,
,
;
,
,
Over die nadei'e vraag uu verspreidt de Heilige Schrift geen Uit het verhaal omtrent de toovenaresse van Endor valt niets af te leiden, overmits men hier te doen had met bedriegerij en bijgeloof. Ook het herkennen van Nel)ucadnezar door zijn verslagen vijanden in het visioen van Jesaja 14 als ze hem toeroepen zijt gij gevallen o Morgenster " geeft geen „ Hoe uitsluitsel naardien de teekening van zulk een visioen nooit met historie mag worden gelijk gesteld. licht.
!
:
,
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's