De gemeente gratie - pagina 233
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
229
BEROEP EN LEVENSLOT.
geen geringe mate, inwerkt op onze zedelijke vorming, nu nog buiten zaligmakende genade genomen.
Ook
die verdeeling
van het beroep onder menschen
nu
is
in
Gods hand.
Dat David eerst herder van beroep is, en daarna het beroep van koning ontvangt, is Gods bestel. Verwarring voor ons besef komt daarin alleen,
wanneer het een beroep geldt, dat we zelven te kiezen hadden. „Wat zal worden?" is de groote levensvraag, die eiken jongen bezig houdt en het ouderhart vaak met kommer vervult. En al is het dat het jonge meisje
ik
deze vraag minder openlijk
stelt,
ook voor haar toch hangt aan die vraag
wel terdege haar toekomst. En ook later nog, als men in het ambt getreden is, keert die zelfde vraag weder, zoo dikwijls men voor de keuze
om
staat,
Dan
óf
waar men
blijven
te
om
kiezen wij, en vergeten
is,
óf
van standplaats
die keuze, dat het toch
te veranderen.
God
die over
is,
ons beschikt. Die tegenstelling tusschen onze keuze en Gods bestel kunnen
we dan op
het oogenblik zelf niet anders dan in het gebed te boven
komen; maar
we een
als
tiental jaren
verder
zijn,
en terugzien op die
keuze in ons verleden, wordt het toch voor de meesten
God
duidelijk, dat
voor hen en door hen gekozen heeft. Van die waarheid hier uitgaande, stellen
we
alzoo, dat het
God
is,
die, als
albestierend Koning, ons beroep
voor ons bepaald heeft, en die bepaling van ons beroep ook met onze zedelijke
vorming
om
in
verband
zette. Strekt alzoo
om
ons levensberoep,
te heffen,
is
en wèl luidt te geven, zoodat de booze vuurgloed der zonde
ons verleiding te sparen,
verdorven natuur eer gedempt, dan aangewakkerd wordt, zoo in
Gods hand een middel, om de gemeen e
om
ons prikkels tot wat
op
gratie, die
is
ons
heflijk
in
onze
ons beroep
de zonde
stuit, in
ons te doen werken.
In het gemeen nu kan dit van elk beroep gezegd worden. Luiheid, zoo oordeelt de volkswijsheid in haar spreekwoord, luiheid is des duivels oor-
kussen. Juist het beroep nu geeft arbeid, arbeid onder zeker verband, arbeid die ons bindt aan zekere orde en regelmaat. ledigheid,
Zulke arbeid bant
onderdrukt de willekeur, leert zich onderwerpen aan zekere
tucht des levens, en
waarvan God
zich
is
zoodanig reeds een der machtigste factoren
als
bedient,
om
het uitbreken der zonde tegen te gaan,
Uitgangsdagen, als er niet gewerkt wordt,
zijn
gemeenlijk dagen van veel
grover uitspatting, dan dagen van geregelden dienst. Terstond na den val
wordt aan
Adam dan
ook de arbeid opgelegd als
behoedmiddel tevens. Arbeid schappij der zonde
in
is
straf, ja,
maar
als voor-
het prophylactisch middel tegen de heer-
ons hart. Hard werken beneemt vaak den
tijd
om
op zonde te zinnen, en aan zonde te denken. Iemand die het geluk had,
van der jeugd
af aan,
tot
hard werken verplicht
te zijn, ontving in die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's