De gemeente gratie - pagina 378
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TRANSCENDENTIE EN IMMANENTIE.
374
zich vanzelf uit het
dat Hij zelf ons als mensch geschapen heeft, en
feit,
dus den menschelijken aard voor ons bedacht en in ons verwerkelijkt heeft.
Op
menschelijke wijze tot ons naderende, gaat Hij dus niet in een vorm
in,
die
Hem
vreemd, maar
beschikt heeft.
Nu
in
een vorm die Hij
zelf
voor ons bedacht en
zou niets meer doodend op ons geestelijk leven hebben
God de Heere
ingewerkt, dan zoo
heel het boek der Raadsbesluiten voor
ons had opengelegd. Lezend wat daarin stond, zou ons alle
veerkracht in ons gebroken
zijn,
en
alle
moed ontzonken,
ontwikkeling in ons
alle
zijn gestuit.
daarom de dingen van Gods eeuwigen Raad voor ons verborgen gehouden. Voor ons staat dus heel onze toekomst onzeker, niettegenstaande ze bij God volkomen zekerj is en vaststaat. En nu komt in die onzekerheid God met gebod, met zijn vermaan, met zijn bedreiging van straf en met zijn toezegging van loon tot ons, om ons op die wijs, Opzettelijk zijn
te prikkelen
naar menschelijken aard,
in
uw
en
spreken met een klein kind, ook
uws
ge voor uzelven en voor
Onder
dit
alles
nu werkt
ontwikkelen, en
aanzijn.
God
al
gij
zijt
gelijken niet bezigen zoudt.
niets anders
wij
is,
zulks doet
al
volkomen ernstig
drukt ge u uit in woorden, die
dan de voor ons onverzoenlijke
het eeuwige in God, en het
tegenstelling tusschen schelijk
te
wezenlijk en meenens en ernstig, als
God even
worden. Zijn naam
die Ik ben, Ik zal zijn die Ik zijn zal. Bij
Hem
is
is
tijdelijke in
Jehovah,
d.
ons meni.
Ik ben
geen verandering, noch
schaduw van omkeering. In God overgang, wording, een proces te denken, is den Drieëenige loslaten en zich werpen in de armen van het gevaarlijkst Pantheïsme. Maar zoo is ons aanzijn niet. Wij blijven geen oogenblik dezelfde. Wij veranderen gestadig. Ons leven is een bestendig worden. Voortgaand proces is de eisch van heel onze existentie. Dat zijn in God en dat worden in ons menschen, dat eeuwige in God en dat wisselendtijdelijke is
in
ons menschen, staat dus lijnrecht tegen elkander over. Hier
geen brug te leggen. Wij kunnen ons niet
zijn indenken.
in
zijde
óns ten behoeve,
tijdelijke
in
zijn
en zich
overgaan,
een eeuwig onveranderlijk
ontbreekt ons zelfs de mogelijkheid,
het eeuwige Gods te verplaatsen.
schiep,
het
Van onze
in
Maar wel kan God,
openbaring aan ons, in
allerlei
uit
die zelf
om
ons
den
tijd
het eeuwige in
overgangen aan ons bekend
moet dan wel telkens een herinnering aan het eeuwige en onveranderlijke van het Goddelijke zijn worden ingevlochten, maken. Daar tusschen opdat vnj
Hem
als
in
Jehovah, als zijnde die Hij
eeren zouden, maar in gedurig uit dat Eeuwige
zijn
in
omgang met
is
en
zijn volk,
zijn zal,
vreezen en
treedt de Almachtige
het tijdelijke en veranderlijke over, schikt zich
naar onzen menschelijken aard, en gedraagt zich alsof Hij als mensch met ons sprak en omging. Een nederbuigende goedheid Gods, die ten slotte in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's