De gemeente gratie - pagina 532
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
528
HET LIJDEN SOLIDAIR. de dagen onzer vaderen zooveel meer pestilentiën ook hier te lande
zijn in
en
uitgebroken,
thans voor gespaard? Is
zijn wij er
dit
omdat
zij
zooveel
harder zondaars waren, en wij zooveel vromer lieden zijn? Maar immers, ieder geeft toe, dat de godsvrucht destijds veel machtiger factor in het leven was, en dat wij van de vroomheid, den ernst, en de degelijkheid
onzer vaderen zoo veelszins
zijn ontaard.
Als er twintig stoombooten tegelijk
tusschen Europa en Amerika op en neer glijden, en de bange mist omhult alles,
dit
en twee van de twintig varen tegen elkander aan, en zinken, beduidt dat de passagiers op die achttien andere booten zooveel vromer
dan,
waren, en de passagiers op die twee zoo
immers
die
bij
Niemand
uitstek goddeloos?
het zal durven beweren, en wel verre van een vloek in ons
omkwamen, grijpt ons dan een innig gevoel van deernis aan met hen die verongelukten. Schaf anders alle reddingsmaatschappijen af, en zeg dat geen reddingsboot meer in zee mag, om hart te gevoelen, voor wie
schuldigen, die
Geheel
dit
God
wil dat verdrinken zullen, af te brengen van
hun wrak.
standpunt moet alzoo worden prijsgegeven, en helder moet
ingezien en beleden, dat het hier geen persoonlijke rekening
is,
die tusschen
God en den enkelen zondaar wordt afgedaan, want dat het tot die persoonlijke afrekening eerst komt in het laatste oordeel. Dan „zal een ieder zijn eigen pak dragen", gelijk de apostel zegt. Maar dat het hier geldt een gemeenschappelijke rekening tusschen den heihgen God eenerzijds, en de wereld als geheel genomen, daartegenoverstaande. Alzoo een lijden niet enkel
komende over menschen, maar ook over dieren en
gansch de natuur,
in
haar geheelheid, en
in
die
planten,
ja,
over
natuur ook over ons
menschelijk geslacht, over rassen, stammen, volken en natiën; en in die natiën ook over enkele geslachten en familiën,
b. v. door erfelijke ziekten en gebreken; en zoo ook over enkele gezinnen en personen. Het is dit feit, waardoor het verklaard wordt, dat zoo telkens juist de goddeloozen het lijden
ontgaan, en dat het op de vromen neerkomt. Niet natuurlijk alsof het goddeloos of
vroom
zijn
voor de uitwerking van den vloek verschil zou maken. Of
heeft Jezus zelf het niet gezegd
:
God
doet
zijn
zon opgaan over boezen en
goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen ? Een,
o,
zooveel
inhoudende uitspraak die het voor elk Christen boven eiken twijfel verheft, dat God bij de gemeene rampen des levens noch met geloof noch met onge-
met geen deugd en met geen zonde rekening houdt, maar deze gewone en gemeene rampen, door elkander, op allerlei soort leden van het men-
loof,
schelijk geslacht
doet neerkomen, geheel afgezien van hun innerlijke ge-
hebben dus d^ vromen niets voor, maar
steldheid. In zooverre
staan ze ook in niets
goddeloozen, als
we
bij
in zooverre
de goddeloozen ten achter. Ze deelen met de
ons zoo mogen uitdrukken, gelijk op
m
Gods wel-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's