De gemeente gratie - pagina 398
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEBONDEN EN TOCH
394
nimmer schaden. En maal
we
VRIJ.
nu nog niet, de uitkomst zal eennu reeds op Golgotha ten deele dat God ze nooit verder vierde, dan noodig was, om juist
doorzichtiglijk
getoond heeft,
al
verstaan
dit
toonen, gelijk ze dit
door scherper prikkel de hoogste spanning, en daardoor de rijkste over-
winning voor onze zedelijke existentie mogelijk te maken.
Maar ons ontheft laten,
of,
wat
vraag,
van het angstige gevoel, dat God ze kan
los-
het nog juister uit te drukken, van de zieldoordringende
er
gevoelen
dit
in
om
dit niet
van ons worden zou, als God hun eens
we
terstond, zouden
we op eenmaal weg
vrij zijn.
liet.
Dan,
Adam
reeds
spel Is
den staat der rechtheid bezweken, wat weerstand zouden wij dan bieden gebroken ondermijnde natuur ? Er zou geen verzet, geen worsteling,
in onze
geen tegenspartelen
zelfs
tot in het uiterste toe.
en
is
uit
mogelijk
zijn,
en als slaven der zonde zouden we,
Satan ter prooi vallen.
En
volgt op de zonde vloek,
dien vloek de ellende over onze wereld uitgestort,
wat zou dan
de algemeene verwarring ook van ons uitwendig leven kunnen stuiten, zoo
we
weerloos en zonder de bestierende genade onzes Gods, aan die
demonische macht werden overgelaten. Hier ziet ge dus, hoe het uitgangspunt van de „gemeene gratie"
in
de
demonen ligt, en hoe deze heerschappij rust in de almachtigheid zelve^ die maakt dat geen schepsel zich roeren of bewegen kan zonder Gods wil. De macht waarmede Hij aan de demonen roering en beweging toelaat of niet toelaat, bepaalt alzoo de mate van zijn „gemeene gratie." Naarmate Hij hun meer toelaat en ze heerschappij van
geworden
laat,
God over den
duivel en de
krimpt de „gemeene gratie"
in,
en naar gelang Hij hen
sterker inbindt en beteugelt, breidt de „gemeene gratie" zich
uit. Ja,
hangt de Voorzienigheid aan deze „gemeene gratie" dat er (altoos subjectieven zin) zienig bestel zijn
bij
in
zoo
den
ontstentenis der „gemeene gratie," gansch geen Voor-
Gods openbaar zou worden. Het zou dan
van het Paradijs
af.
uit
met ons geweest
Onverwijld op den val zou algeheel verderf
gevolgd, en de schrikkelijke toestand, die nu, voor wie van
God
zijn
blijven
afgekeerd, toeft tot na het jongste oordeel, zou alsdan terstond zijn
in-
Het Paradijs zou verkeerd zijn, niet in een wereld onder den vloek, maar op eenmaal in de plaats der buitenste duisternis. En alleen het feit, dat God de demonen niet vrij geworden liet maar ze zoo aldoor in zijne hand hield, dat ze zonder zijn wil zich noch roeren noch bewegen konden, en dus in hun verderving van ons geslacht en van onze wereld geen haarbreed verder konden gaan, dan God toestond, is oorzaak geworden dat er thans tusschen het Paradijs en het jongste oordeel een
getreden.
tusschenstaat én voor ons geslacht én voor deze wereld
is
ingeschoven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's