De gemeente gratie - pagina 309
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TWEEËRLEI
punt hier onmogelijk
„Dood sloten,
is
Woord
voor een iegelijk die aan Gods
zonde en misdaden"
in
305
IK.
dood.
is
wij allen,
Zijn
„van nature kinderen des tooms", dan
is
vasthoudt.
met Paulus
inge-
er in ons, als zondaren,
geen enkele deugd in principiëelen zin denkbaar. Elke uitzondering die ge hier toelaat, werpt geheel de voorstelling omver. Is de zondaar voorzoover
nog burgerlijke gerechtigheid
hij
voor zoover
oefent,
niet dood, en is
het oog loopend slechte dingen doet, dan
hij in
hij
dood
alleen
zijn
honderden
en honderden personen ook in hun onbekeerden staat nog zoogoed als geheel levend, hoogstens met enkele plek die kankert.
en
blijft
ze
liier
en daar een stee koud vuur, of een
Dan verandert ge de natuur der wedergeboorte
een genadige herschepping van heel
niet
een uitsnijden van een plek gangreen. M.
a.
w. dan
zijt
uw
maar
persoon,
ge van het Chris-
tehjk standpunt opeens overgegieden op het standpunt der wereld, waarop
de zondige mensch nog in hoofdzaak voor gaaf, goed en ongedeerd geldt, en slechts
lijdt
om
aan een enkele wonde, die
genezing vraagt.
De zonde
dan geen doodelijke krankheid, maar een incident aan zeker deel van
is
uw
wezen, en
bij
incidenteel gebrek
sommigen, die zeer ingetogen en braaf leven,
soms zoo
klein,
is
dit
dat ge verstaat hoe op hun graf in
welsprekende taal verkondigd wordt, hoe goed en hoe uitnemend ze waren.
Loslaten kunt en moogt ge dus het volstrekte standpunt niet, of ge gaat
aanstonds
meê over van
zelf
zelfinbeelding
het getuigenis der Heilige Schrift naar de
der wereld. Doch hiermee
is
de zaak niet toegehcht.
Wel
volgehouden, maar niet verklaard. Immers het valt niet te ontkennen, dat
menig onbekeerde wel terdege ook met Zeer dikwijls
is
zaak doorzetten. Daarom te
zijn
wil velerlei goede dingen wil.
het zelfs een ongemeene wilskracht waarmee ze een goede is
het noodig hier tot een tweede onderscheiding
komen. Onze eerste onderscheiding was, dat er
in
ons
is
een middel-
punt waarvan onze levenswerking uitgaat, en een omtrek waarin die levens-
werking uitkomt.
We
stelden daarbij dien uitgang van deze levenswerking
voor als het uitstralen van
lijnen,
en oordeelden nu dat de zonde deze
uitgaande lijnen afbuigt in geheel verkeerde richting, maar dat de gemeene gratie, van terzijde inkomende, deze afbuiging stuit, en zoo menige levenswerking in haar uitstralen toch nog op het goede punt doet uitkomen. De lijnen zijn dan als kromme, omgebogen lijnen gedacht. Als ze uit het alle naar hnks, maar hooger of lager op dan weer naar rechts om. Fijner konden we aanvankelijk de onderscheiding niet nemen, zou niet alle helderheid en doorzichtigheid in de voorstelling teloor gaan. Thans echter moet hier een
middelpunt uitkomen, neigen ze buigt de
gemeene
gratie ze
tweede onderscheiding aan toegevoegd, rakende dat middelpunt zelf. Onder dat middelpunt verstonden we ons ik in het centrum van ons U.
20
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's