De gemeente gratie - pagina 488
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET ONHEILIGE VAN ALLE SMART.
484
welbezien geen schande, maar een eere en een voorrecht ware geweest. Alles natuurlijk lijnrecht tegen de Heihge Schrift
De
in^
Schrift leert ons dat Jezus de schande,
Heilige
den vloek, de
straf
gedragen heeft, en toont ons in de Opstanding een triomf over Satan. De Schrift leert ons in allen
De
dood
iets zien, dat onheilig is
Schrift zegt ons dat melaatschheid en andere
offers
en onrein maakt.
krankheden door zoen-
moesten verzoend. Kortom de Heilige Schrift kent geen ander
dan zulk een
als het gevolg is
van den
vloek, en in dien vloek het
teeken van het onreine en onheilige aan zich draagt. Heilige Schrift
komt ons
Ja,
meer
lijden,
merk-
nog, de
in dien vloek, die alle lijden baart, zeer stelliglijk
een werking belijden, die in verband staat met een satanische, demonische macht. Christus' ingaan in dat
nemen van de schande,
lijden, zijn
dragen van den vloek,
zijn
op
luid van het eenparig gedaarom zulk een onvergelijkbare openbaring van Goddelijk mededoogen en van alles te bovengaande liefde, omdat het zich overgeven aan het onheilige zoo rechtstreeks indruischte tegen den drang en den eisch van zijn innerlijk Goddelijk Wezen, Doch van den aard en de beteekenis van den vloek geve men zich dan ook wel rekenschap. Als God zegt: „De aarde is vervloekt om uwentwil," dan beduidt dit volstrekt niet alleen, dat lijden zich in ons leven zal mengen, maar veel meer, dat er over heel het aardrijk een onheilige dampkring trekt. Vloek is niet maar lijden, maar vloek is een kwaad, iets dat toorn in zich draagt, iets waar verbolgenheid in spreekt, iets waardoor God, die
zich
tuigenis der Heilige
zijn Wezen De wetenschap
naar
alles
Schrift,
is
dan ook naar
juist
schept en in stand houdt, het verderft en verstoort.
dat op iets de vloek rust, dat aan iets een vloek kleeft,
dat in iets een vloek schuilt, geeft een afstootend en bang gevoel; iets
we niet de werking van Gods liefde, maar een onheilige macht tegen ons over hebben. Zoolang de vloek op iets rust, komt er geen gedijen, en het gebed om „den zegen Gods," die uit alle Christenheid dag aan dag wordt opgezonden, bedoelt in het minst niet wat men noemt succes, maar uitsluitend dat de werking van den vloek gestuit moge worden, dat de vloek moge worden opgeheven, en dat het onheilige wijken moge. Wie het anders bidt, verstaat het gebed om den zegen des Heeren niet. dat ons zegt, dat
De onderwijzing der wetten op de Levietische reinheid is in dit opzicht dan ook van veel dieper beteekenis, dan men gemeenlijk meent. In die wetten lag niet maar een zinbeeldige afschaduwing van geestelijke reiniging, maar wel terdege het van God geboden middel, om de herinnering aan den vloek levendig
te
houden en het afschuwelijk karakter van
alle lijden
Wat is teederder dan het hjk van zijn verzorgen? En toch de Hoogepriester mocht het
klaar voor Israëls oog te stellen.
vader met eigen hand te niet doen.
onrein en
Dood is
aan
bleef dood. In allen dood is vloek. alle lijk iets onheiligs.
En daarom
is alle lijk
Verloste Christenen die nabij
God
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's