De gemeente gratie - pagina 21
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
17
HET OP TE LOSSEN VRAAGSTUK.
besef van goed en kwaad, dat gemeenschappelijk in aller hart spreekt.
Dit nu kon niet alzoo zijn, indien God niet door zijn gemeene gratie zekere algemeene denkbeelden over recht en onrecht, over goed en kwaad ook in de saamleving der nienschen in stand hield. En in dien zin nu wijst de
om
apostel er op, hoe ook uit dien privaten en publieken aandrang vellen,
te
blijkt,
dat
God de Heidenen
ook onder hen nog met genade w^erken
En
niet geheel verlaten heeft,
maar
blijft.
de vierde plaats volgt uit Rom. 2
eindelijk in
vonnis
:
14,
13,
dat deze ge-
den gevallen zondaar niet alleen nog een besef van wat eerbaar en oneerbaar, recht en onrecht, goed en kwaad is overliet, in stand hield en werken laat, maar ook dat deze gemeene genade den gevallen
meene genade
in
zondaar nog kracht leent,
om
het goede te doen. Hij zegt toch: „Indien
de Heidenen die de wet (van Sinaï) niet hebben, van nature de dingen doen, die der
wet
zijn."
Zij
en juist daaruit dat
ook,
er kennis
„onbekwaam
minder
kennen
te
maar
ze dus niet alleen,
zij
is
dus
zelfs
het uitgangspunt voor het
Staat het nu vast, dat zelfs een kind van
om
te zijn,
doen ze
doen, trekt Paulus de conclusie, dat ze
ze
van hebben. Dat doen
apostologisch betoog. tuigt
zij
God
be-
eenig goed als uit zichzelven te denken, veel
doen", dan volgt hieruit noodwendig, dat ook de Heidenen dit
goede doen, niet
uit
maar
zichzelven of uit eigen kracht,
alleen doordat
de gemeene genade hen hiertoe aandrijft en hiertoe bekwaamt.
De Gereformeerde kerken hebben heid van dat Schrift
in
licht
alzoo in haar
Formulieren van eenig-
der natuur niets gezegd, wat ze niet met de Heilige
de hand verantwoorden kunnen. Metterdaad
is
het zoo, dat
Paulus, staande voor gelijk verschijnsel, als waarop wij stuiten,
t.
w. dat
de Heidenen zoo vaak meevielen, en dat de Joden zoo dikwijls tegenvielen, ons de oplossing van
dit raadsel
des levens daarin gegeven heeft, dat
hij
ons wees op de gemeene gratie of op het licht der natuur; niets minder
inhoudende, dan dat God
1".
in
den gevallen zondaar nog een
van het Goddelijk handschrift der wet uitdrijft
om
aan dat
overblijfsel
overliet,
2'\
der wet getuigenis te geven,
saamleving dringt tot oordeelvelling met dat overblijfsel 4.
veelszins krachten in
overblijfsel
zielsbewustzijn
zijn
hen werkt
om hen
in
de
als maatstaf,
en
3*^.
het goede te doen volbrengen.
Dit verklaart alzoo, hoe destijds de Heidenen konden meevallen, gelijk
nu zoo
dikwijls de lieden der wereld ons meevallen.
hoe destijds
Israël,
en herlees dan Rom. roep
:
gelijk 7,
En
als
ge dan vraagt
nu de Kerk zoo dikwijls kon tegenvallen, lees
en herinner u slechts dien éénen smeekenden
uit-
Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes
om ook die keerzijde van het raadsel En mocht nu iemand de vraag opwerpen,
doods",
u opgelost te zien. of
Paulus hier de Heidenen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's