De gemeente gratie - pagina 633
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE TWEE LEVENSSFEREN DOOREENGEMENGD.
want God de Heere
zich dit voor te stellen,
zelf
komt ons
629
hierbij
door het
groote en machtige woestijnwonder te hulp. Dit groote woestijnwonder
bestond namelijk hierin, dat God zelf voor Israël in
Hun
voorzag.
hun
kleederen,
machtigen, en
alle
nooden des levens
schoeisel versleet niet; ze aten het brood der
God drenkte hen
uit zijn fonteinen
en rotsspleten.
Zoo zou het dus op zichzelf ook denkbaar zijn geweest, dat God alle uitverkorenen naar één hoek van de wereld had doen trekken, en hen in dien afgezonderden hoek der wereld van allen gewonen nood des levens ontslagen had. Er zou dan geen wereldsche arbeid, er zou geen maat-
De wereld zou
schappelijke ontwikkehng zijn geweest.
uitverkorenen één groote kloostercel
Gods uitverkorenen zou geweest tingen.
zijn
zijn
in
geworden, en
dezen hoek der alle
leven onder
één smaken van hemelsche genie-
Dit onderstelt dan tevens, dat uitverkorenen ouders nooit anders
dan uitverkoren kinderen zouden gehad hebben; voorts dat
alle
kinderen
hun eerste aanschouwen van het levenslicht wedergeboren waren geworden; en eindelijk dat de wedergeboorte terstond tot een volmaakt werk geleid had, met algeheele onderdrukking van de nog inwonende zonde. Alles anders dan het werkelijk is en voorkomt, maar iets dat men zich toch denken kan. En dan natuurlijk zou zulk een enkel heilig geslacht, reeds
door
bij
God
rechtstreeks, gelijk eens Israël in de woestijn, onderhouden, niets
hoegenaamd met de ontwikkeling van het maatschappelijk leven uitstaande hebben gehad. Het zou er geheel buiten hebben gestaan, en de lampe brandende,
hebben
een
geleid.
leven
van afwachting
in
het
voorportaal
des
hemels
Feitehjk het ideaal dat de echte Dooperschen, evenals de
monniken najoegen, maar dat noch de Doopersche noch de monnik kon omdat zulk een afsluiting van de Particuliere genade op een afgesloten terrein niet bestond. En wel poogden de Dooperschen zich des-
realiseeren,
niettemin af te sluiten door de „mijding", en de monniken door den kloos-
termuur, maar dit baatte
niet,
erger dan de witte mier, knaagde de zonde
toch door alle mijdingsscherm en kloostermuur door.
Omgekeerd
zou, bij de
gemaakte onderstelling, de wereldsche maatschappij
in Azië en Afrika zich geheel buiten den invloed der „Particuliere genade"
hebben ontwikkeld, voorstellen,
omdat
iets dit
wat we ons daarom zooveel gemakkelijker kunnen voor een zeer aanmerkelijk deel metterdaad het
geval was. Niet geheel, want het verhaalde van de koningin van Scheba toont reeds duidelijk, dat er van Israël invloed ook op de volken uitging.
na de verspreiding der Joden nog veel sterker geworden. den Islam werkt die invloed niet minder sterk na. Zelfs wint steeds meer het vermoeden in kracht, dat ook de oude Grieksche ontwikkehng, en daardoor ook die der Romeinen, niet weinig aan de hoogere en voorDie invloed
En
is
in
afgaande ontwikkeling van Israël onder Salomo en in Jesaja's dagen, te dankeu heeft gehad. Maar ook al erkennen we dit ten voUe, toch kan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's