De gemeente gratie - pagina 449
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
MENSCH EN DIER.
445
den mensch staat, dan volgt hieruit ook dat ge als maatstaf niet de sterkte, maar de vatbaarheid voor zelfstandig handelen en voor ontwikkeling moet nemen, en dan natuurlijk schiet de mensch verre voor het dier uit. Doch dan volgt hier ook tevens uit, dat het gebruiken van middelen en het aangewezen zijn op de aanwending van middelen, niet iets gebrekkigs is, dat we te boven moeten komen, maar dat juist hierin het hoogere moet gezocht worden, en dat juist hierin de voorkeur van den mensch boven
het dier uitkomt.
Heel de voorstelling
alsof het
aan middelen gebonden
en het geholpen worden zonder middelen
God
helpt de plant rechtstreeks.
God
iets
zijn iets lagers
hoogers was, valt hiermede.
helpt het dier slechts voor een klein
medewerken. Maar bij den mensch is de mensch zelf moet aanwenden, voor God
deel door het zelf te laten
dit
door middelen, die
regel.
helpen
On-
nu is dit niet. Immers als God ons helpt door middelen, die we zelven moeten aanwenden, dan wordt hieruit een medewerkzaamheid met God geboren; en nu is het licht in te zien, dat deze medewerkzaamheid met God moet afnemen als het creatuur zeer laag staat, en alleen klimmen kan, maar dan ook moet toenemen, naarmate het creatuur hooger plaats inneemt. Een admiraal op de vloot kan in zijn krijgsraad zijn hoofdofficieren laten medewerken, maar voor een matroos is zulk een medewerkzaamheid met den admiraal ondenkbaar. En zoo nu ook is een begrijpelijk
mineraal,
is
een plant voor zulk een medewerken met
ongeschikt, begint
zaamheid bij
als
bij
te vertoonen,
juist wijl alleen
geschapen naar Gods beeld, hiervoor hoog genoeg
over heel
zijn
staat.
eerst
de mensch,
„Wat
is
de
gedenkt?" Maar God heeft dienzelfden nietigen mensch
schepping gesteld, en
maar door hem
gisch, die,
Gij zijns
ganschelijk
maar kan deze medewerkzaamheid met God
den mensch het ware karakter aannemen,
mensch dat
God
het dier zich een begin van zulk een medewerk-
hem
alle
ding onderworpen, niet ma-
in zijn geestelijk bestaan een kracht te verleenen,
mits ontwikkeld, alle overige macht van het schepsel zeer verre te
boven
gaat.
Zoo levert derhalve deze eenvoudige vergelijking tusschen de positie van mensch en dier in de schepping het voldingend bewijs, dat het helpen van
den mensch door den mensch hooger staat dan het rechtstreeks helpen zonder hem en buiten hem om. En dit nu, wat zegt het anders, dan dat de ontwikkeling van den mensch hooger klimt, naarmate hij te meer in alles
zich
.steld.
werpt op de middelen die God te zijner beschikking heeft gedes hemels rechtstreeks, zoo ge wilt, want zij
God voedt de vogelen
zaaien
vinden.
niet en
maaien
niet,
en hebben geen ander voedsel dan wat ze
De mensch daarentegen
is
geroepen
om
te zaaien en te maaien,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's