In Jezus ontslapen - pagina 153
„EN IK ZAL OP HEM SCHKIJVEN DEN NAAM MIJNS GODs".
De daadzaak
137
hier, dat Christus, iiiet nu, maar in den dag van hem die overwon dien drievukligen naam schrijven zal. Ook dit merkteeken hoort tot de eerbewijzen, die het hemelsch deel zullen zijn van het kind van God, dat zegepraalde in de worsteling met Satan, zonde en wereld. Hij krijgt dit: niemand anders: maar hij krijgt het zijner
glorie,
is
op het voorhoofd
hij het van te voren niet had, en het alsdan ontvangt, en alsnu bezit, om het nimmermeer te verliezen. Er is alzoo sprake van iets heerlijks, dat zelfs de heiligste nu nog derft, en dat eerst komt, niet vlak na den dood, maar als de dag van Jezus glorie ingaat. Dan, maar ook dan eerst, komt de Boom des levens, en het Manna dat verborgen is, en de witte keursteen, en het fijne witte lijnwaad, en het teeken van de Morgenster, en zoo ook dat dragen van Jehovahs heiligen naam zonder graveersel
dan ook zóó, dat
,
in het wezen.
Het is het loon het is ile kroon het is de luister die van den overwinnaar zal uitstralen en tot dien luister zal ook behooren het verwerkelijkt worden van het symbool des heiligen Doops. dat alle engel Gods en alle gezaligde den A\iain des Heeren op ons leest. ,
,
:
De
Naam
des Heeren" is de openbaring van zijn Goddelijk Uit het schepsel komt de naam des Heeren op, juist zooals de pracht der kleuren opkomt uit de voorwerpen waarop de zon haar stralen werpt. De zon straalt wit licht uit, en eerst als de lichtstraal door de wolk breekt, teekenen zich de kleuren en tinten af van den regenboog. Zoo nu is God een licht; maar eerst als dit licht uit God in zijn schepping straalt spelt dat schepsel zijn heiligen naam. Bij een naam is een noemer, en die hier den naam des Heeren noemt is het schepsel. Niet alle schepsel, maar het wezen geschapen naar den heelde Gods. Het is de mensch die den naam zijns Gods „al grooter moet maken." En dien naam noemt, dien naam prijst hij, dien naam doet hij in zijn glorie weerklinken, niet uit zich zelf, maar als en voor zooveel God zich in zich aan hem openbaart. God straalt het licht van zijn wezen in en voor ons uit: en als die lichtstraal in ons breekt, komen de tinten, gloeien de kleuren, en als wij dit spellen en lovend uitspreken weerklinkt de naam des Heeren in zijn schepping. Uit Hem, maar in en door ons tot een naam geworden. ,
wezen.
,
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's