De gemeente gratie - pagina 653
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE GEMEENE GRATIE EN DE ZONE GODS.
649
ZOU ooit de Zoon het zóó bestaan der dingen kunnen beheerschen, zoo de
Vader
niet alle dingen droeg in
hun bestaan,
of
ook de Heihge Geest niet
de smeulende levensvonk aanblies? Maar zooveel volgt dan toch
abc
uit het
der Heilige Schrift, dat, als ge onderscheid maakt, en nader onder-
zoekt, op het terrein
van welken der drie Personen de actie ter verlossing
dit niet anders denkbaar is dan als het eigen terrein van den Zoon of van het Eeuwige Woord, door wien alle dingen geschapen zijn, en van wien ze dus hun wijze van bestaan ontvingen. In het ontstaan van ons Ik zit ons wezen. In ons zóó bestaan de gedachte Gods, waarvan
gewrocht wordt,
we de
uitdrukking of de belichaming
zijn.
En
dit nu, het
stempelen op de
dingen van de gedachte Gods, dat
is
het wat de Zoon doet, want die Zoon
Woord wat
is
het anders dan een uitgesproken ge-
is
het Woord, en het
dachte?
En
dit
nu zoo
zijnde,
en de Zoon deswege als Middelaar der Ver-
lossing optredende, spreekt het vanzelf, dat én de
Gemeene
Particuliere genade in den Christus haar hoogere eenheid
want
beide,
gratie én de
moeten vinden,
en dus ook de Gemeene gratie, bedoelen reactie tegen de
stoornis die door
Zonde en Dood
I.
in de
Schepping indrong.
X X X V 1 1.
De verkoreneii ten leven.
Hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. I Tim. 4 8&. :
Alzoo vloeien de Particuliere genade en de Gemeene gratie uit éénzelfde
Bron
in
God
Drieëenig,
den Christus, die als
en bezitten nog in naderen zin haar eenheid in
in tweeërlei zin
Middelaar
het Eeuwige Woord, en Middelaar der
is:
Middelaar der Schepping
Verlossing door de Vleesch-
wording. Doch niet alleen dat deze twee Genadestroomen afvloeien van éénzelfden Berg van Gods Heiligheid, er dient ook op gewezen, dat de
wateren van beide stroomen zich ten
deele
in het historisch leven der
menschheid
dooreenmengen. Ze spoeden zich niet voorwaarts door twee
beddingen, die geheel afgescheiden naast elkaar liggen, maar op
allerlei
wijs is er tusschen dezen éénen en
den anderen stroom verband aanwijsbaar. De Particuliere genade verrijkt de Gemeene gratie^, en de Gemeene gratie blijkt telkens
door de Particuhere genade ondersteld te worden.
Het is op dit onderling en wederkeerig verband dat thans de aandacht moet worden gevestigd. We doen het in twee vertoogen; het ééne over de beteekenis der Particuliere genade voor de Gemeene gratie, en het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's