De gemeente gratie - pagina 47
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
OPLOSSING VAN ROOMSCHE ZIJDE.
substantie als de eenheid van natuur en wezen,
natuur
zijnde, de natuur
van het
ling
is
Wanneer de
warren.
men
dat
mag men
is
het
op de tegenstel-
die beide niet dooreen-
heilige apostel Petrus betuigt, dat „ons de grootste
en dierbaarste beloften geschonken deelachtig zouden
men
de werking ; en zoo dikwijls,
en van de actie komt,
zijn
maar de werking van de
werking van het wezen. Het wezen
niet hetzelfde als de
is
43
worden,"
zijn,
opdat wij der Goddelijke natuur
ook onze geachte opponent wel toegeven
zal
hiervoor niet zou kunnen noch
mogen
schrijven: „opdat wij des
Goddelijken wezens zouden deelachtig worden." Bij de leer aangaande de
Vleeschwording komt het op soortgelijke onderscheiding aan. En de orde van ons betoog
om
niet,
in
gedoogt
al
een studie over de gemeene gratie
een principiëele bewijsvoering voor het Gereformeerde leerstuk van de zonde
we onverzwakt de
schuiven, toch blijven
te
in
stelling
handhaven,
dat het menschelijk wezen menschelijk wezen bleef, maar dat de natuur
des menschen zoo principieel boorte, d.
i.
is
verdorven geworden, dat alleen wederge-
maken van den doode
het levend
(zie
Rom.
4 17) dit verderf keert. :
Evenzoo sta hier nog een kort woord over de opmerking, dat het niet genoeg
maken tusschen hetgeen
onderscheid te
is
tot
schen natuur behoorde, en hetgeen buiten die sfeer
de sfeer van lag,
's
men-
maar dat onder-
scheid moet worden gemaakt tusschen de natuurlijke, de huitennatuurlijke
en
de
bovennatuurlijke gerechtigheid.
Onder natuurlijke gerechtigheid
wordt dan door de Roomsche Godgeleerden verstaan, dat Adam, ook zonder het
donum superadditum van
buitengewone natuur, door
gifte
de iustitia originalis,
van de oorspronkelijke gerechtigheid,
strijd, tot
i.
zonder de
uit zijn
geschapen
d.
gerechtigheid had kunnen komen; niet uiteraard buiten
God om, maar, om ons
zoo uit te drukken, met geen andere hulpe Gods
dan die gewone hulpe, die het schepsel altoos behoeft. Buitennatuurlijke gerechtigheid heet dan, dat deze gerechtigheid
gegeven w^as; zoodat
hij
gestadige inwerking Gods.
ze zonder strijd
kon
En hovennatuurlijk
hem in
die
dien
oorsprong
verre
zijn
schepping
bij-
stand houden, onder de
heet eindelijk die gerechtig-
haar prikkel niet in den mensch, maar
heid,
bij
uit
God
heeft,
en
om
boven de natuurlijke gerechtigheid uitgaat. Hoe
scherp belijnd nu deze distinctie, met het oog op de later hieruit te ont\A4kkelen dogmata van
moge ontwikkeld
zijn,
„kerk" en „verdienste" ook van Roomsche zijde
den wortel bestreden wordt.
in
heiligheid
of
We
weigeren op ethisch gebied eenige
eenige gerechtigheid te doen gelden, die in den mensch als
een element vreemd aan
den
van een valsch dualisme, dat door ons
ze gaat uit
mensch van een
zijn
natuur zou inkomen. Elke bijeenvoeging in
natuurlijk
en niet-natuurlijk element,
mechanisch, en op ethisch terrein
is
is
en
blijft
voor mechanische verbinding geen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's