De gemeente gratie - pagina 46
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
OPLOSSING VAN ROOMSCHE ZIJDE.
42
Slechts op een enkel punt
uiteraard de
kolommen van
zonder nader breedvoerig betoog, waarvoor
is
dit
blad geen bestek bieden, tegenspraak nu
reeds doenlijk.
Zoo
de heer Bensdorp op
schrijft
onderscheiden zou
zijn
blz.
dat door ons ten onrechte
tusschen het wezen en de natuur des menschen,
en dat het niet aangaat, met ons te
wezen ongeschonden
55,
liet,
maar
zijn
stellen,
natuur
dat de zonde
verdierf.
menschen
's
Hiervan zegt de
ge-
leerde schrijver dit:
Verder merken we op de aangehaalde woorden aan, dat Dr. Kuyper ten onrechte wezen onderscheidt van natuur. Wezen en natuur zijn een en dezelfde zaak. De Hoogleeraar heeft dit zelf gevoeld; want voor naal spoedig de werking der natuur in de plaats; zoo de zooeven aangehaalde regels: „Door de zonde is wel de natuur des menschen in haar werking (dus niet de natuur in haar
tuur schuift
hij
schrijft hij in
maar 's menschen wezen is gebleven wat het was, en Een weinig verder: „Ook in Satan blijft het wezen van den engel onveranderlijk hetzelfde, alleen maar zijn natuur is wat haar werking betreft (dus weder niet de natuur in haar zelve) in haar tegendeel omgeslagen". Nog een weinig verder: „Wat veranderd is, is niet zijn ['s menschen] wezen maar de werking van zijn natuurt Stelt men in deze drie zinsneden het woord wezen voor het woord natuur in de plaats, dan blijft de zin precies hetzelfde. Duidelijk bewijs dat wezen en natuur in den zin, waarin Dr. Kuyper dit laatste woord hier zelve)
gewijzigd
;
zal dit blijven" enz.
\
:
precies hetzelfde beteekenen. Tegenover het wezen van een ding staat dan ook niet zijn natuur maar staat het accidenteele, het toevallige, het bijkomende. Dr. Kuyper had juist gesproken, als hij ge-
gebruikt,
\
door de zonde is 's menschen wezen of natuur niet in het in het accidenteele gewijzigd. Doch wat hij nu s(;hrijft: „De mensch, naar zijn wezen ongeschonden, is naar zijn natuur verdorven geworden", is contradictie.
schreven had essentiëele,
:
maar
Dr. Heinrich,
ook in het oog van den heer Bensdorp ongetwijfeld een
der helderste Roomsche denkers uit deze eeuw, stelde intusschen bijna hetzelfde onderscheid,
matik V. 370
(2^
zijn,
worden
men
de substantie
ed.):
dat wij aanstipten. Hij verklaart toch in „Terwijl alzoo
ze nochtans
naar
wezen en natuur
Bog-
zijn
zakelijk hetzelfde
het begrip in zooverre onderscheiden, dat
natuur noemt, onderwijl men van het zijn zich denkt". Juist zooals ook wij op de werking de aandacht vestigden, om het onderscheid tusschen wezen en natuur voelbaar te maken. En nu is het wel volkomen juist, dat we van „de werking der natuur" spraken, ten einde de diepere eenheid van natuur en wezen niet te laten glippen, maar het is niet alzoo, dat in de drie citaten het woord natuur door het als het, beginsel
van
actie
in het
woord wezen
w'oord
wezen kan vervangen worden. Wel kon teruggegaan
in de eerste plaats het beginsel
.
zijn
.
.
op de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's