De gemeente gratie - pagina 325
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET Saaravattende wat dat
IS
GOD DIE ONS HEILIGT.
321
we dusver vonden, komen we
alzoo tot deze slotsom,
de allereerste aandrift die uit het herboren
1.
ik,
kern van ons wezen opkomt, altoos goed, heilig en rein
daarom
altoos ook
maar
in
is,
de verborgen
maar zonder Dat
tot ons flauwst bewustzijn door te dringen. 2".
deze allereerste heilige aandrift wel er op uit
vermogen en
in
om
is,
in ons bewustzijns-
ons wilsvermogen door te dringen, maar dat het volstrekt
niet altijd in staat
is,
de tegenovergestelde werking, die uit het verleden
dat bewustzijn en in den wil nawerkt, te overwinnen en te boven te komen, zoodat de eerste aandrift zeer wel heilig is, al komt toch én ons bewustzijn én onze wil nog op allerlei manier onheilig uit. 3". Dat deze
in
aldus reeds gebroken actie van ons herboren ik zich,
om
de buitenwereld
te bereiken,
moet voortbewegen langs de geleiddraden van heel het orga-
nisch leven
waarin
we verwikkeld
zijn,
en hierop wel eenigen invloed
ten goede uitoefent, en wel eenige ombuiging teweegbrengt,
daarom
staat
in
te
zijn,
die
maar zonder
geleiddraden over heel hun lengte recht te
trekken en ineen te werken.
4".
Dat het heel anders staat met de omdat deze lijn
waarlangs het herboren ik zich tot God opheft,
maar verticaal loopt, en onmiddellijke gemeenschap met God wat we belijden als de inwoning in ons van den Heiligen
horizontaal,
kan geven, Geest.
En
en
iets
dat dit alles tot het resultaat leidt van een schijnbaar geheel
5.
waaruit het ik de ééne maal getuigt als een heilige
existentie,
strijdige
lijn
niet
verloste,
de
andere maal als een met zonde beladene en in zonde
verzinkende klaagt, de ééne maal roemt in hooge dingen, en de andere
maal zonde
waarvan
belijdt
toch zegt, dat niet
hij
hij
ze wilde, en alzoo
het gevoel, het besef ontvangt van een ouden en een nieuwen mensch die
hem
in
worstelen; een nieuwen mensch geschapen in Christus Jezus tot
goede werken, die God voorbereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden, en met al
naar
zijn lust
zaamheid
Werd
geboden Gods uitgaande, een ouden mensch meer dan een klein beginsel van deze gehoor-
alle
die steeds belet dat het tot in dit leven komt. hij
nu aan
hierbij
zichzelf overgelaten, zoo zou hier vooruitgang,
noch vordering in wezen, en wat
denkbaar
zijn.
Maar
heihge u geheel en
uw in
dit is
we
belijden als „heiligmaking" zou on-
dan ook niet het geval. „De God des vredes
al," bidt
Paulus aan de kerk van Thessalonica
geheel oprechte geest, en
ziel,
toe,
zelf
„en
en lichaam worde onberispelijk bewaard
de toekomst van onzen Heere Jezus Christus." Hiermede treedt alzoo
een daad Gods, een gestadige
waar ons herboren
ik
gifte
van genade,
in
het zieleleven
machteloos staan zou, zoo tegenover de
in
in.
En
ons be-
wustzijn en wil ingeslopen werking ten kwade, als tegenover het organisch
we heen moeten werken, om in het leven kunnen uitkomen, komt nu God met zijn sterkende en
saamstel des levens, waardoor der wereld heiligende II.
te
genade
tusschenbeide,
om
de sfeer waarin
het
herboren ik 21
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's