De gemeente gratie - pagina 235
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
231
BEROEP EN LEVENSLOT.
van
hem
een beroep dat
ontving,
God
zijn
en dat
zien,
te
heeft,
opheft en adelt, daarin een' gunste, een gift hij
offerande van zijn dank te brengen.
Gods hand,
als
legde, en
zijn
booze verdorven natuur
doen komen, maar integendeel die onderdrukken, te stuiten en te temmen.
in
haar
En wie
kind van God, aan zichzelven ontdekt, tot de verlossing door-
breekt, zal er van achteren zijn Hij ook in
God daarvoor de
uiting te
sluimerende boosheid te als
is zijn
het toch dit beroep, dat in
is
om
een der factoren werkt,
niet tot haar volle
straks
schuldig
Dan
dit zijn
hem
God om
loven en voor verheerlijken, dat
beroep den teugel aan de boosheid van
alzoo voor te diepe zelfverlaging
zijn
hart aan-
en voor te grove uitspatting
bewaard heeft. En dat we ook hier metterdaad voor een factor der gemeene gratie staan, blijkt overtuigend hieruit, dat ook anderen die teloor gaan, door
God
in
een zelfde beroep geplaatst werden, en dat zulk
zulk
een steunend en verheffend beroep volstrekt niet alleen aan zijn kinderen is voorbehouden. Herder te zijn is een beroep dat stellig verheft, en toch
David een herder geweest, maar was Nabal het in zijn dagen evenzeer. Alleen David is door dit zijn beroep gesteund en gesterkt, terwijl
is
niet alleen
Nabal er door verleid
is tot
dieper zonde.
Geheel hetzelfde nu geldt evenzoo van ons lot. Onder lot verstaan we hierbij én de gelukkiger of minder gelukkige levensconditie waarin
we
geplaatst
zijn,
én de lotgevallen die ons in ons
leven overkomen. Reeds het algemeene levenslot
geheel verschillend. Geboren te
zijn
onder de
is
Afridi's,
onder menschen zoo op de glooiingen van
het Himalagebergte, of in de ylakte van deze lage landen, geeft op zich-
een geheel andere levensconditie. Ook binnen ons land maakt het zulk een aanmerkelijk verschil of ge geboren zijt als bewoner van het stille platteland, of als ingezetene van onze woelige steden. In die steden zelf reeds
en dorpen zegt het weer van hooge ontwikkeling, zorgen.
Ook de zijn
of
onder de lagere standen met hun kommer en mensch en mensch zulk
geldelijke positie graaft tusschen
een diepe klove. Er moeten, er
zoo veel, of ge geboren waart onder de standen
o,
zijn
gezinnen die van
er andere, die over
vijf
gulden in de week leven
honderd en meer gulden
in
de
week
Ruime woning met voor ieder een eigen vertrek, of enge besaam in één vertrek moeten leven, heeft zoo ongeinvloed op heel onze vorming. En zoo zouden we kunnen voort-
beschikken.
huizing zoodat allen looflijken
gaan met het verschil van levensconditie en levenslot in al zijn ontzettende tegenstelHngen te teekenen, om het voelbaar te maken, wat sterke invloed reeds hierdoor op mensch en mensch voor heel zijn vorming wordt uitgeoefend. „Rijkdom en
armoede geef mij
niet,
voed mij met het brood mijns
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's