De gemeente gratie - pagina 303
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET ZEDELIJK GOEDE IN DEN ONWEDERGEBORENE.
299
den geloovige alleen uit zijn kindsgenade houdt geen steek, en deswege kan en mag dan ook het kwade dat nog in hem uitkomt
in
zonder nadere bepaling, aan verachtering
in
juist niet,
kindsgenade worden toege-
schreven.
Wie de zaak
helder wil inzien^ zal moeten erkennen, dat er tweeërlei
genade in den geloovige werkt, zoowel de particuliere genade
hem
Gods dat wereld gemeen in
is.
den geloovige
bij
uit het
hem met de
de gemeene gratie, die
als
is,
Niet met één maar met twee genadefactoren heeft
hem
doen, en daar bovendien zijn natuur in
te
zaad
lieden der
men
werkt,
moet zijn verschijning en zijn optreden begrepen worden als een complex van drieërlei werking: ten eerste van zijn natuur, ten tweede van zijn kindsgenade, en ten derde van de gemeene gratie
oog
houden, dat
is te
zijn
;
waarbij dan wel in het
zondige natuur bovendien nog prikkeling onder-
gaat zoowel van de zondige wereld buiten hem, als van de demonische
wereld onder hem. En eerst waar worden, hoe uiterst ingewikkeld het
God
in zijn leven hier
niet
als
men dit recht verstaat, om den toestand van
is,
zal
begrepen
een kind van
beneden, na zijn bekeering, met eenige juistheid te kunnen verklaren en beoordeelen. Dit zal zelfs nimmer gelukken, tenzij men uitga van den toestand waarin hij zich vóór zijn bekeering bevond, en dan nog wel daarbij denkt aan een volwassen persoon, en niet aan een nog onbewust kindeke, en evenzoo dien volwassen persoon zich denke
een boef of misdadiger, maar
De
schaafde maatschappij. meenlijk begaan wordt, onderscheidenlijk
let,
fout
dat
is
bij
men op
Bij
bij
man. En
men nu
zulke beschouwingen ge-
een nog onbewust kind staat het anders zijn
een ruwen dronkaard dan
heel anders
al
deze verschillen in het leven niet
een volwassen persoon, en ook
als
een gewoon mensch in een bebij
en voorts de verschillende verhoudingen, die hiermee
samenhangen, dooreenwart.
dan
als
toch die
de teekenen der bekeering
bij
een beschaafd^ fatsoenlijk
desniettemin van bekeering in het generaal spreekt,
en dan op een volwassene overbrengt wat alleen
komt, of ook die zich
bij
bij
een rechtschapen, eerbaar
man
bij
het kindeke voor-
dezelfde teekenen eischt
de bekeering van een woestaard voordoen, dan moet
men wel
telkens faliekant uitkomen. Zelfs de prediking boet door dit generaliseeren heel
wat kracht
in,
ze
die
door meer onderscheidenlijk de bijzondere
gevallen toe te lichten en aan te dringen, aanstonds zou herwinnen.
Vragen we nu niet voor
in dien geest
den mensch
in
naar den toestand vóór de wedergeboorte,
het gemeen, maar bepaaldelijk voor een vol-
wassen en rechtschapen man, dan vernemen we dat en misdaden", maar dat
hij
hij
„dood
is in
zonde
desniettemin eenige „overblijfsels" of „vonks-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's